Archive for the ‘Persoonlijk’ Category
Pijnlijke Proclamatie
Broertjes worden groot. Enkele dagen geleden kwam mijn broertje samen met enkele klasgenoten in vol ornaat iets vieren in het restaurant. Ik stond die dag in voor de bar en drankgelegenheid. Wat ze kwamen vieren? Wel, die avond, na het eten, zouden ze naar het galabal van zijn school gaan, de afsluiter van zes mooie jaren. Inderdaad, zijn middelbare schoolcarrière zat erop.
De omstandigheden dwongen vergelijkingen af. Ik heb namelijk op dezelfde school gezeten. Waar mijn broer vergezeld werd door drie mooie dames, moest ik het in mijn klas stellen met Vikingen, letterlijk en figuurlijk. Mijn laatste twee jaren, het vijfde en het zesde middelbaar, waren niet bepaald een plezier voor mij. Ik zat in een klas die me niet lag, vol hypocriete egoïstische individuen. Ik weet nog goed dat ik niemand vond als balpartner. Dit lag echter geheel in de lijn van de verwachtingen hoor, ik hoorde nu eenmaal niet bij het populaire clubje. Niet dat ik dat erg vond, integendeel. Er zat één meisje in mijn klas waar ik wel goed mee overweg kon, gewoon, vriendschappelijk. Ik had de indruk dat zij zich, net als ik, een vis in vreemde wateren achtte. Uiteindelijk bleven wij als enigen zonder partner over en we besloten dan maar samen te gaan. De dag voor de bewuste feestavond belde zij echter af omdat ze sinds enkele dagen een nieuw vriendje had en uiteraard liever met hem ging. Allemaal goed en wel voor mij, dan ging ik maar alleen, maar u begrijpt vast waarom het bal niet veel betekenis voor me had.
Dat gold trouwens niet enkel voor het bal. Ik wou mijn laatste jaren zo snel mogelijk achter de rug zien. De proclamatie was voor mij dan ook geen emotionele uitdaging, niet bijzonder betekenisgeladen, eerder een ontketening. Ik herinner er mij ook niet veel van. Voor ik verdrink in mijn eigen zieligheid zou ik u toch ook graag meedelen dat deze terugblik een tikkeltje ongenuanceerd is. Ik heb zeker ook mijn mooie momenten gehad waar ik gaarne op terugkijk. Maar toch, deze zelfde omstandigheden zagen er voor mijn broer anders uit. Hij had en heeft zes leuke jaren achter de rug, zelfs de laatste twee. Hij beleefde die met een leuke klas, met leuke vrienden, en een goed vriendinnetje aan zijn zijde. Deze avond nam hij dan ook serieus. Hij was trouwens lang niet de enige. Er waren zelfs leerlingen die in een limousine naar het bal kwamen. Achteraf bleek het dan ook een geslaagde avond.
Na het bal werd de proclamatie geacht de kers op de taart te zijn, wederom een mijlpaal in het leven. 28 juni: Diploma-uitreiking. Mijn broertje keek ernaar uit. Hij wou deze avond samen met zijn broer, moeder, vrienden en vriendin vieren. Een definitieve maar mooie afsluiter. Dat was het plan, dat echter geheel anders uitdraaide door een ongelukkige onverwachte wenteling.
Lichtjes te laat vanwege de schitterende parkeergelegenheid die de schoolomgeving bood kwamen we aan in het college, ik, mijn broer en onze moeder. Laat is uiteraard het nieuwe stijlvol. Helemaal achteraan in de zaal vonden we toch nog een plaatsje terwijl de eerste speeches reeds begonnen waren. De sfeer was gelaten. Anekdotes, muziekintermezzo’s en toespraken volgden elkaar vlotjes op, gelijmd door applaus. Het zag ernaar uit een leuke avond te worden, tot mijn broer die ene sms kreeg die alles veranderde.
De stemming sloeg om. Het was een sms van zijn vriendin met een onheilspellende boodschap. Blijkbaar was het summum der ongenoden aanwezig tussen het feestgeruis: mijn en zijn, onze, vader.
Het gemoed van mijn broer verzonk in een zorgendal. Zijn wangen kleurden rood en hij begon ongemakkelijk heen en weer te waggelen op zijn stoel. Toen zijn ogen lichtjes glazig werden vroeg ik hem of hij de nood voelde een luchtje te scheppen. Hij knikte. Toen hij opstond zag ik dat het niet bij glazig bleef en ik besloot hem naar buiten te volgen. Daar trof ik hem aan, gelaat op onweer.
“Waarom is die hier nu? We hebben maanden niets van hem gehoord en nu plots besluit hij om langs te komen.”
De tranen rolden over zijn wangen. Met moeite hapte hij naar adem. Hyperventilatie was nabij. Zoals… Zoals die ene keer… Zoals die ene keer dat men hem, na een ruzie met zijn vader waarbij zijn mening erg bot onthaald werd (“bol het dan maar af”), hyperventilerend naar zijn bed had moeten dragen, ontroostbaar en gedesillusioneerd. Het viel me enorm zwaar mijn broer zo te zien. Ook mijn ogen werden glazig en ik kreeg een zware krop in de keel. Ik nam me echter voor sterk te zijn, voor hem, om hem te kunnen troosten. Ontdaan omarmde ik hem, mijn figuurlijke kleine broertje, letterlijk groter dan ik. Ik legde zijn hoofd op mijn schouder en trachtte hem te sussen. Ik voelde zijn verdriet door mijn hemd druipen. Daar stonden we dan, twee jongvolwassenen, elkaar omhelzend in het midden van de straat. Het kon mij niet schelen wat anderen dachten, mijn broertje moest getroost worden. Het was eerder een omhelzing van mijn kant. Hij stond er nogal onbeholpen bij, geen blijf wetend met zijn verdriet.
“Ik wil ni dat hij hier is nu. Hij verpest alles. Ik wou gewoon dat dit iets was voor ons gedrietjes. Denkt hij nu echt dat hij de negen jaar dat hij ons bedrogen heeft zo kan goedmaken? En dan komt hij nog naast ons wonen met de trut waarmee hij ons bedrogen heeft. Ik ben het zo beu om zijn aanwezigheid te moeten mijden, om hem en zijn trut telkens te ontwijken als ik naar buiten ga, iedere keer weer dezelfde stress om ze ni tegen te moeten komen. Ik wou gewoon dat hij ergens anders woonde, dat hij hier niet meer was. En onze familie langs zijn kant dan, allemaal hypocrieten die om niks anders geven dan om geld. Die hebben ook nooit iets van zichzelf laten horen. ze hebben ons nooit gesteund. Ik wil hem ni zien, ik wil hem ni ontmoeten.”
Al wat hij zei waren echo’s van mijn gedachten. We voelden exact hetzelfde. Al die tijd al voelden we exact hetzelfde. Onze manier van verwerken was echter anders. Ik praatte en praatte en praatte het eruit terwijl mijn broer de neiging had en heeft zijn emoties op te kroppen. Het was dan ook een kruitvat vol gevoel dat bij hem explodeerde die dag. Al wat ik geleidelijk verwerkt had werd bij hem nu in een oogwenk opgewekt. De situatie haalde hem neer. Ik trachtte hem gerust te stellen.
“Wil je dat ik ga vragen dat ze uwe naam ni afroepen? Of in ieder geval da je ni naar voor hoeft? Ik zal er hoe dan ook voor zorgen dat ge hem niet moet spreken of ontmoeten vandaag, goed?”
Hij knikte, angstvallig happend naar adem. Ons gesprek werd onderbroken door een sms van onze moeder. Ze vroeg of we terug naar binnen kwamen aangezien het afroepen van namen reeds begonnen was. Mijn broer was echter helemaal niet klaar om terug naar binnen te gaan. Ik gebood hem een sms terug te sturen en te verzoeken of zij niet naar buiten wou komen. Enkele seconden later kwam ook zij naar buiten. Het verdriet van haar zonen trof haar moederhart diep, en ook zij kon slechts met moeite haar tranen bedwingen. Ze gaf hem een troostende knuffel. Mijn broer herhaalde zijn jammerklacht die ook zij enkel kon beamen. Ik denk wel dat ze schrok dat het nog zo diep zat bij mijn broer, bij ons. Schijn bedriegt soms.
Ik kan me voorstellen dat de reactie van mijn broer voor eender welke buitenstaander veruit overdreven leek. Voor mij niet, integendeel. Het is niet de eerste keer dat ik, dat wij, ons niet begrepen voelen in deze situatie, in wat er gebeurd is, om de simpele reden dat anderen het hele verhaal niet kennen. Voor hen lijkt dit één van de vele verhalen over bedrog en echtscheiding. Het was echter veel meer dan dat. Ons gezin heeft veel meegemaakt, heeft veel geleden, is door de hel gegaan. Anderen hebben die hel niet gezien, hun matige reacties en onbegrip kwetsen, hoe begrijpelijk ze ook mogen zijn. Zoveel leed veroorzaakt door slechts één man. Een man wiens gedrag leidde tot een breuk met zijn zonen. Een man die doodleuk, na maanden radiostilte, besloot aanwezig te zijn, geheel ongevraagd, geheel ongewenst.
We gingen terug naar binnen. Een oud-leraar Nederlands kwam bezorgd vragen of alles in orde was en bood mijn broer een drankje aan.
“Misselijk door de warmte he”, luidde de afwimpeling.
We stonden achteraan in de barstensvolle zaal, meer dan achthonderd hoofden waren aanwezig. En daar, vlak naast het gangpad, zat hij. Een postuur die ik uit duizenden herken. Wit hemd. Zwarte broek. Armen gekruist. Hij had geen slechtere plaats kunnen uitkiezen. Mijn broer kon enkel via dat gangpad zijn rapport gaan halen. Ik zou hem in zijn toestand niet doorheen die zaal gestuurd hebben. Mijn moeder was hem echter moed aan het inspreken om het wel te doen. En eigenlijk had ze gelijk. Hij had het recht niet om mijn broer zijn moment af te nemen. Mijn broer moest de situatie het hoofd bieden.
“Neem desnoods het zijpad als ge terugkomt. Of bekijk uw rapport als ge voorbij hem wandelt.”
Mijn broers naam weergalmde doorheen de zaal. Hij verzamelde al zijn moed en ging rechtstreeks naar het midden van de ruimte. Mijn hart stond stil toen hij aan zijn terugweg begon. Ik smeekte dat mijn vader hem niet zou aanspreken of op welke wijze dan ook de confrontatie zou aangaan. Hij nam zijn rapport, draaide zich om, keek recht naar ons, blik op oneindig, en wandelde terug. Mijn vader bleef gedurende al die tijd in dezelfde positie zitten, onverstoord. Gelukkig. Toen mijn broer het einde van de zaal bereikte dacht ik dat het ergste nu wel voorbij was. De oud-leraar Nederlands, erg vriendelijke man, begon tegen mij te praten over de inderdaad vermoeiende hitte. Pas enkele seconden later merkte ik dat mijn broer verdwenen was, evenals mijn moeder. Ik haastte mij naar buiten. Ik zag hen niet en besloot daarom me naar de auto te begeven. Even verderop trof ik mijn broer aan, samen met mijn moeder en zijn laatste leraar Lichamelijke Opvoeding. Hij was emotioneel ingestort, ontroostbaar. De bewuste leraar had onraad geroken en was mijn broer mee naar buiten gevolgd. Hij slaagde er uiteindelijk toch in om mijn broer rustiger te krijgen, omhelsde hem, gaf hem schouderklopjes. Vervolgens liet hij ons alleen. Ik en mijn moeder produceerden de meest dankbare gelaatsuitdrukkingen die we ongemerkt konden voortbrengen.
“Kijk, we gaan gewoon wachten tot hij weg is. We verschuilen ons even waar hij ons niet kan vinden. Als hij denkt dat we weg zijn zal hij ook vertrekken en daarna kan de avond gewoon verder gaan. Dan kunt ge vieren met uw vrienden en ik en mama zijn er ook. Wa denkt ge?”
Mijn broer stemde bedroefd in. Hij was als de dood voor een ontmoeting met zijn vader. Niet dat de man een scene zou maken die avond. Er was gewoon zoveel gebeurd dat elke glimp van hem stress en negatieve energie bij ons opriep, in die mate dat we confrontatie op welke wijze ook wouden vermijden. Ik loodste mijn broer en mijn moeder binnen langs de achterzijde van de school. Vervolgens bestegen we de trappen opdat hij ons nooit zou tegenkomen. Naast de bewuste zaal liepen, ook op het eerste verdiep, langs weerszijden twee gangen. In één van beide gangen plantten we onszelf neer, zodat we toch nog konden horen wat er gezegd werd.
Piekerend en huilend zat mijn broer daar. Ik zat naast hem, arm op zijn schouder. Het werd me stilaan duidelijk dat de emotionele impact van de twee verleden jaren veel groter was dan we oorspronkelijk dachten. Ik zou zelfs voorzichtig over een trauma durven spreken. Toen we daar in de gang zaten bleek hij zijn grootste bekommernis nog niet geuit te hebben. Hij dacht namelijk dat zijn liefje, die ook afstudeerde die dag, enorm boos zou zijn omdat hij de plechtigheid niet bijwoonde en hij zo alles verpestte. Dit was natuurlijk een waanidee. Zodra de plechtigheid was afgelopen belden we haar, trachtten we haar bij hem te brengen. Ze was erg begripvol, uiteraard was ze dat. Hun ontmoeting bleek het stille keerpunt van de avond. Mijn broer werd zienderogen rustiger. Rustiger en geruster, maar nog steeds op zijn hoede. Ik stuurde enkele van zijn vrienden en zijn vriendinnetje naar de receptie om uit te pluizen of hij reeds weg was. Dit bleek het geval.
De avond kon beginnen, eindelijk. Voorzichtig begaven we ons naar de receptie. We ontvingen een glaasje fruitsap of wijn, en mengden ons tussen het volk. Het was fijn om even terug in mijn oude school te zijn. Ik ontmoette mensen waar ik in een recent verleden veel van had opgestoken. Anekdotes werden opgerakeld, vergelijkingen doorgetrokken, toekomstplannen meegedeeld. Ik was ook peter geweest van een klasje gedurende mijn late schoolcarrière. Het was zeer leuk dat een handvol van mijn vroegere ‘petekindjes’ me spontaan kwamen begroeten, stuk voor stuk een halve meter groter dan de laatste keer dat ik ze zag. Hun jeugdig enthousiasme deed me werkelijk deugd. Ook mijn broer leek zich uiteindelijk toch te vermaken. Toen ik zag dat het goed was liet ik, samen met mijn moeder, ‘ons kleineke’ achter om hem verder te laten genieten van zijn moment. Het was zeer laat toen we de voordeur hoorden sluiten in ons bed.
Ik weet niet wat de intenties van mijn vader waren die dag. Goedbedoeld of niet, hij had niet als een dief in de nacht mogen binnensluipen om zo mijn broer de stuipen op het lijf te jagen. Onderschat, net zoals mijn vader, de aangerichte schade door bedrog en echtscheiding niet. Het slaat wonden en laat littekens, voor het leven.
The Clash of the Relatives
De dag begon zoals elke andere dag. Ik was thuis, zoals zo vaak tijdens de weekends, en koesterde het voornemen vandaag terug naar mijn kot te gaan. Normaal neem ik de auto en plaats ik deze op de parking aan het station, waar ik dan vervolgens de trein neem richting Antwerpen. Omdat mijn broertje de laatste tijd echter aan zijn rijvaardigheden aan het werken is, kon ik de auto niet zomaar kidnappen en de sleutels een week gegijzeld houden. Mijn moeder bood me aan om me in de namiddag weg te brengen, dan was het wat rustiger op het werk. Toen de namiddag echter ruimschoots was ingezet, kreeg ik van haar een telefoontje dat het nog te druk was in het restaurant, dat ik best toch maar zelf met de auto kon rijden en de sleutels in de brievenbus van mijn nonkel en tante moest droppen. Zij wonen niet zo ver van het station. Aldus geschiedde, ongeveer…
Ik sloot de deur achter me, wandelde naar mijn trouwe Volkswagen en reed tot aan de poort. Jammer genoeg was ik zo dom om de poort ook achter me te willen sluiten. Net toen ik terug uit mijn wagen stapte om dit te doen kwam mijn vader voorbij gejogd. Enorm teleurgesteld in mijn eigen timing probeerde ik de persoon die ik het minst van iedereen op deze aardkloot wou tegenkomen te mijden. Ik wendde mijn blik af en maakte aanstalten om te vertrekken.
Dat was echter buiten hem gerekend. Hij kwam op me afgestapt en vroeg op semidreigende toon: “Hebt ge mijne mail ni gehad?”
Eerst begreep ik niet wat hij bedoelde, aangezien ik al maanden niets deftigs meer van hem gehoord had.
“Nee, ik heb niks gekregen.”
“Moet ik er nog ene sturen”, zei hij vol ongeloof, “of denkt ge dat da niet meer nodig is?”.
“Ik moet er geen meer hebben nee, dat is niet meer nodig.” In het nauw gedreven stapte ik in mijn vluchtwagen.
“Beseft gij eigenlijk wel waar gij mee bezig zijt?”, klonk zijn stem minachtend.
Welnu, laat ons deze laatste zin eens grondig analyseren, want in mijn hoofd werd deze ontdaan verwerkt en als lachwekkend bestempeld, maar dit is uiteraard bij u, oh onwetende, nog niet het geval. Mijn vader heeft mijn moeder namelijk negen jaar bedrogen met haar beste vriendin. Negen jaar. Negen jaar. Negen jaar. Dringt het door? Mooi zo. Ik weet niet hoe het bij u zit, maar bij mij is dat alleen al een grondige reden om kwaad te zijn. Het wordt echter nog beter. Mijn ouders hebben, vlak voor alles uitkwam, serieuze bouwplannen ondernomen en vier appartementen in twee symmetrische blokken het leven geschonken. Deze werden gebouwd tegenover het restaurant dat ze bijna twee decennia in hun bezit hebben gehad. Mijn vader vond er niet beter op dan naast zijn ex en zijn kinderen te gaan wonen met de minnares waarmee hij zijn gezin, inderdaad, negen jaar, bedrogen had. Naast als in aangrenzende appartementen. Begrijpt u mijn vernedering? Ik schaam mij nog steeds om het lef van die man hier mee te delen. Persoonlijk vind ik dit ook wel een reden om kwaad te zijn. Voeg daarbij de vele ruzies in het bijzijn van mij en mijn broer, zijn onaflatende egoïstische penopauzeneigingen, zijn drang naar het materiële, zijn leugens, enz., enz., enz., en je krijgt toch wel de drang om die ene persoon te negeren als hij even voorbij komt gejogd. Ik weet dat ik jong ben, dat roekeloze besluiten nemen en rebellie eigen zijn aan mijn leeftijd, maar geloof mij, ik denk na voor ik iets zeg of doe. Ik besefte maar al te goed waar ik mee bezig was, ik wel.
Terwijl bovenstaande redenering mijn synapsen doorraasde sloot ik de autodeur. Het mocht echter niet baten. Hij opende de deur langs de andere kant.
“Die auto bijvoorbeeld”, ging hij dreigend verder, “van wie denkt gij dat die is?”
Ik was enorm teleurgesteld in zijn dreigement, het betrof namelijk het materiële. Dat laatste had hij ons daadwerkelijk altijd geboden. En inderdaad, de auto was deels van hem en deels van mijn moeder, al had enkel mijn moeder er altijd mee gereden en deed ik dat nu, nu mijn beide ouders andere wagens hadden. Dit laatste deed er echter totaal niet toe. Zijn uiting stelde me teleur omdat hij wederom vergat wat ik hem, de laatste maanden dat ik hem sprak, altijd had willen doen inzien: Liefde koop je niet.
“Wilt ge hem terughebben? Ik zal wel te voet gaan dan!”, zei ik, gedegouteerd door zijn materiële bezetenheid.
In de verte zag ik twee gezamenlijke vrienden nietsvermoedend aan komen strompelen.
“En uw grootouders dan”, ging hij verder, “die hebben hier niets mee te maken, en het is nog te veel dat ge hen ne gelukkige verjaardag wenst.”
“Die wisten al veel langer dat gij terug met haar waart!”, contesteerde ik.
Ik besefte echter dat dit niet het argument was dat ik zocht. Ik kwam toen ook niet tot datgene wat ik eigenlijk wou zeggen. De situatie was te verhit en mijn mondelinge ‘redenaarstalent’ kan en kon mijn schriftelijke hoegenaamd niet evenaren. Het was inderdaad zo dat ik hen bewust niet gecontacteerd had, maar ook daar had ik zo mijn motivatie voor. Ik ben grotendeels opgevoed door de grootouders langs de kant van mijn moeder, met enorm veel liefde en genegenheid. Mijn moeders kant heeft altijd warmte als fundament gekend, mijn vaders kant geld en status. De erfenis van mijn grootouders, dat is wat de naasten van mijn vader bindt. Niemand heeft ooit zijn mond durven opendoen uit angst voor het verlies van kostbare euro’s. Ik zag hen ook enkel op de verplichte familieaangelegenheden des levens, zoals communiefeesten en dergelijke. Een telefoontje voor mijn verjaardag, dat vergaten ze inderdaad ook niet. Maar goed, ik begrijp ook ergens dat ze wat verder woonden en dat het nu eenmaal niet simpel is om zulke contacten innig te onderhouden. Wat ik hen echter kwalijk neem, ieder van hen, is dat we, gedurende die twee jaar dat de rest van mijn gezin door de hel ging, niet één bezorgd telefoontje hebben gekregen. Niet één e-mail belandde in mijn Postvak IN. En ja, dat neem ik hen kwalijk, vergeef me. Het spijt me dat ik niet in die mate materieel ingesteld ben, niet meer, het spijt me dat ik weiger hypocriet te zijn voor de centen. Niet met mij, niet meer.
Intussen waren de twee nieuwelingen erbij komen staan. Ze hadden al snel door wat de toon van het gesprek was, met een vader die, zoals steeds wanneer hij zijn argument bepleitte, zijn zinnen riep. Het nieuwe gezelschap was geen geschenk, nu begon mijn vader zijn redevoering tegen hen, steun zoekend. Zulke ruzies waren nooit een dialoog. Mijn vader luistert niet, dat heeft hij nooit gedaan. Hij wil gehoord worden, en wie dat niet respecteert wordt in het andere kamp geplaatst.
“Zie nu Martijn, ik heb al twee keer gevraagd of hij mijn vriend wilt worden op Facebook, en hij heeft al twee keer geweigerd.”
Ook deze wending, te gek voor woorden, had ik niet verwacht. Blijkbaar waren dat de ‘mails’ die hij me gestuurd had. Ik dacht eerst dat er een ellenlange verontschuldiging of poging tot verzoening zoek was geraakt bij mijn ongewenste e-mail , maar nee, in al die maanden was het enige wat ik van hem kon verwachten een verzoek via Facebook. Arme stakker, zijn vriendschapsverzoek genegeerd.
“Ziet ge die blok hier Martijn, ze zeggen altijd maar dat ik dat voor mijzelf heb willen zetten he, maar eigenlijk heb ik da voor mijn gezin gedaan.”
Voor buitenstaanders waren zijn acteerprestaties geloofwaardig, maar niet voor mij, niet meer. Ik herinner mij nog goed het moment dat hij vroeg of we wilden verhuizen, of we het idee van een nieuwe woonst niet spannend vonden, en dat we daarop allemaal nee knikten. Hij dreef zijn wil door, wederom. In dit geval ben ik wel blij dat hij dat gedaan heeft, ik had niet zoveel zin in een minnares in de logeerkamer. Hij heeft die blok zelf gezet, respect. Hij heeft alles gegeven om die woonstencollectie zo snel mogelijk uit de grond te stampen, respect. Hij kende geen grenzen, hij werkte zichzelf depressief, en hij reageerde die gevoelens af op mijn moeder. Ik ben op kot gevlucht.
“Stopt met roepen!”, riep ik woedend.
Mijn linkerbeen trilde, heel mijn lijf rilde. Terwijl ik dit riep schrok ik van mezelf. Ik riep tegen mijn vader. Ik riep tegen hem die ik nooit tegengesproken had, niet één keer in heel mijn geschiedenis. Net voor ik het contact verbrak had ik wel een doorbraak geboekt op dat vlak: zeggen wat ik dacht. Hij kondigde toen namelijk aan dat hij terug iets wou beginnen met zijn minnares en verwachtte dat ik dat maar zou begrijpen. Ik zei hem dat dat weerzien consequenties naar het contact met zijn kinderen toe zou hebben en sloeg de deur dicht. Enkele dagen later was die vrouw al bij hem ingetrokken, slechts enkele dagen later was zij mijn buurvrouw. Het lef. Respectloos.
“Ik heb mijn fout toegegeven, maar die Valiant he, de laatste keer dat die kwam praten heeft die komedie gespeeld! Zie maar naar de foto’s in alle albums die bij mij liggen. Die hebben altijd gevoelens gehad voor elkaar.”
Het is hoogstwaarschijnlijk waar. Valiant en mijn moeder hebben altijd gevoelens voor elkaar gehad. In een heel ver verleden hebben ze daar ook enkele maanden aan toegegeven. Ik ben niet blind voor het feit dat mijn moeder mijn vader bedrogen heeft. Ik begrijp waarom. Ik weet dat mijn vader een moeilijk karakter bezit. Maar natuurlijk blijft het fout. Uiteindelijk konden hun gewetens de situatie niet meer verdragen en hebben ze voor hun gezin gekozen.
“Da kan goed zijn, maar er is een verschil tussen al die jaren gevoelens hebben, of er jaren aan toegeven!”, antwoordde ik.
Ik heb ook gezien dat mijn moeder een tweede maal toegaf aan haar gevoelens voor Valiant, recentelijk. Tijdens het bouwen werkte mijn vader zijn depressieve gevoelens uit op mijn moeder, die net aan het ontsluieren was wat er zich jaren achter haar rug had afgespeeld. Mijn moeder was een gebroken persoon op dat moment, verteerd door verdriet, bezeten paranoia. Valiant heeft eerst de intentie gehad haar te steunen, daar twijfel ik niet aan, maar mijn vader heeft in zijn pad der vernieling een pad geopend voor hun samenzijn. Valiants intenties zijn misschien dan wel veranderd na verloop van tijd, misschien zijn ze er zelfs altijd geweest, maar ik geef hem nu meer dan gelijk, omdat ik zag dat hij mijn moeder wou geven wat ze verdiende. En dat doet hij nog steeds. Valiant heeft ook bij iedere stap die hij nam gekeken naar zijn omgeving, naar zijn eigen vrouw en kinderen, naar ons. Mijn vader daarentegen liet zijn ego weelderig tieren.
“Ik ben de mama altijd graag blijven zien!”, verdedigde hij.
“Daar geloof ik helemaal niks meer van! Gij weet niet wat liefde is! Gij zijt emotioneel gestoord!”, zei ik, wederom schrikkend van de leeuwenkloten die ik hier tentoon stelde, al trilde mijn lijf bijna uit elkaar.
Ik begrijp dat deze laatste zin van mij voor buitenstaanders enorm cru klinkt, maar eigenlijk is het exact die diagnose die ik na al wat er gebeurd is ben beginnen toeschrijven aan mijn vader. Emotioneel gestoord, en dat bedoel ik niet al scheldend. Negen jaar vrouw en kinderen bedriegen. Negen jaar de vrouw waar je samen een restaurant mee runt misleiden met een collega, haar beste vriendin. In het bijzijn van de kinderen ruziën over de bedprestaties van de minnares. Naast de mensen gaan wonen die je jaren bedrogen hebt, mét diezelfde minnares. Ik kan talloze voorbeelden opnoemen. Ik hoef mijzelf ook niet meer te verantwoorden. Ik ben een redelijk persoon die op basis van vaststaande feiten tot een gegronde conclusie is gekomen. Jong mag ik dan wel zijn, en mijn levenservaring relatief beperkt, maar mijn conclusies zijn getrokken op verantwoorde wijze.
“Ik ben een nieuw leven begonnen, snapt da dan!”
“Een nieuw leven? Ge hebt mijn moeder negen jaar bedrogen met haar beste vriendin en ge woont verdomme met die vriendin naast mijn deur in een buurt die helemaal niets meer van u moet hebben, noemt ge dat een nieuw leven beginnen?”
Op dat moment deed iemand mijn autodeur dicht. Ik weet niet wie, maar ik greep mijn kans, zette mijn handrem af en scheerde weg. Ik was emotioneel geklutst. Heel mijn lijf trilde. Al wat ik die dag wou, was studeren, maar nee, ik kreeg een aanvaring met hém.
Rood. Voor het kruispunt wachtte ik, vat vol emotie. En toen, toen verscheen er plots een engel uit het niets. Op haar fiets stak ze het kruispunt over, mijn Briseis, waarop bij mij een positieve ontlading volgde. Was ik blij haar te zien! Toen het groen werd volgde ik haar en reed ik naast haar fiets.
“Helaba schoon kind!”
Ze lachte blij, een beetje geschrokken. Ik parkeerde mijn wagen even verderop, en zij haar fiets. Het begon te gieten. Ik bood haar aan haar naar haar bestemming te brengen, omdat ik het niet kon verdragen dat ze anders zo beregend zou worden. Ik vertelde haar wat er gebeurd was, en zij troostte mij. Haar aanwezigheid alleen al onderhield de waakvlam in mijn hart. Ze had echter een afspraak, dus onze ontmoeting was kort, kort maar troostend.
Mijn moeder was aan het werken. Ik wou haar niet lastigvallen, dat zou haar werk die dag beïnvloed hebben. Ik besloot nog even langs te gaan bij mijn nonkel en tante, maar ik was vergeten dat zij op reis waren. Ik voelde me even alleen, maar de sms’jes van Briseis hielden mij recht. Lichtjes doorweekt kwam ik aan in Antwerpen.
Toen ik mijn pc aanzette zag ik dat mijn voormalig vriendinnetje online was. Ons contact was reeds een tijdje verbroken om god weet welke futiele redenen. We hadden het allebei moeilijk gehad. Ik besloot de adrenalinestroom waar mijn vader de oorzaak van was een positieve wending te geven en sprak haar aan. We legden onze geschillen bij, Lillipop en ik, wat bij beiden voor opluchting zorgde.
Wat een dag.