Get Adobe Flash player

Ernbern

Pijnlijke Proclamatie

Broertjes worden groot. Enkele dagen geleden kwam mijn broertje  samen met enkele klasgenoten in vol ornaat iets vieren in het restaurant. Ik stond die dag in voor de bar en drankgelegenheid. Wat ze kwamen vieren? Wel, die avond, na het eten, zouden ze naar het galabal van zijn school gaan, de afsluiter van zes mooie jaren. Inderdaad, zijn middelbare schoolcarrière zat erop.

De omstandigheden dwongen vergelijkingen af. Ik heb namelijk op dezelfde school gezeten. Waar mijn broer vergezeld werd door drie mooie dames, moest ik het in mijn klas stellen met Vikingen, letterlijk en figuurlijk. Mijn laatste twee jaren, het vijfde en het zesde middelbaar, waren niet bepaald een plezier voor mij. Ik zat in een klas die me niet lag, vol hypocriete egoïstische individuen. Ik weet nog goed dat ik niemand vond als balpartner. Dit lag echter geheel in de lijn van de verwachtingen hoor, ik hoorde nu eenmaal niet bij het populaire clubje. Niet dat ik dat erg vond, integendeel. Er zat één meisje in mijn klas waar ik wel goed mee overweg kon, gewoon, vriendschappelijk. Ik had de indruk dat zij zich, net als ik, een vis in vreemde wateren achtte. Uiteindelijk bleven wij als enigen zonder partner over en we besloten dan maar samen te gaan. De dag voor de bewuste feestavond belde zij echter af omdat ze sinds enkele dagen een nieuw vriendje had en uiteraard liever met hem ging. Allemaal goed en wel voor mij, dan ging ik maar alleen, maar u begrijpt vast waarom het bal niet veel betekenis voor me had.

Dat gold trouwens niet enkel voor het bal. Ik wou mijn laatste jaren zo snel mogelijk achter de rug zien. De proclamatie was voor mij dan ook geen emotionele uitdaging, niet bijzonder betekenisgeladen, eerder een ontketening. Ik herinner er mij ook niet veel van. Voor ik verdrink in mijn eigen zieligheid zou ik u toch ook graag meedelen dat deze terugblik een tikkeltje ongenuanceerd is. Ik heb zeker ook mijn mooie momenten gehad waar ik gaarne op terugkijk. Maar toch, deze zelfde omstandigheden zagen er voor mijn broer anders uit. Hij had en heeft zes leuke jaren achter de rug, zelfs de laatste twee. Hij beleefde die met een leuke klas, met leuke vrienden, en een goed vriendinnetje aan zijn zijde. Deze avond nam hij dan ook serieus. Hij was trouwens lang niet de enige. Er waren zelfs leerlingen die in een limousine naar het bal kwamen. Achteraf bleek het dan ook een geslaagde avond.

Na het bal werd de proclamatie geacht de kers op de taart te zijn, wederom een mijlpaal in het leven. 28 juni: Diploma-uitreiking. Mijn broertje keek ernaar uit. Hij wou deze avond samen met zijn broer, moeder, vrienden en vriendin vieren. Een definitieve maar mooie afsluiter. Dat was het plan, dat echter geheel anders uitdraaide door een ongelukkige onverwachte wenteling.

Lichtjes te laat vanwege de schitterende parkeergelegenheid die de schoolomgeving bood kwamen we aan in het college, ik, mijn broer en onze moeder. Laat is uiteraard het nieuwe stijlvol. Helemaal achteraan in de zaal vonden we toch nog een plaatsje terwijl de eerste speeches reeds begonnen waren. De sfeer was gelaten. Anekdotes, muziekintermezzo’s en toespraken volgden elkaar vlotjes op, gelijmd door applaus. Het zag ernaar uit een leuke avond te worden, tot mijn broer die ene sms kreeg die alles veranderde.

De stemming sloeg om. Het was een sms van zijn vriendin met een onheilspellende boodschap. Blijkbaar was het summum der ongenoden aanwezig tussen het feestgeruis: mijn en zijn, onze, vader.

Het gemoed van mijn broer verzonk in een zorgendal. Zijn wangen kleurden rood en hij begon ongemakkelijk heen en weer te waggelen op zijn stoel. Toen zijn ogen lichtjes glazig werden vroeg ik hem of hij de nood voelde een luchtje te scheppen. Hij knikte. Toen hij opstond zag ik dat het niet bij glazig bleef en ik besloot hem naar buiten te volgen. Daar trof ik hem aan, gelaat op onweer.

“Waarom is die hier nu? We hebben maanden niets van hem gehoord en nu plots besluit hij om langs te komen.”

De tranen rolden over zijn wangen. Met moeite hapte hij naar adem. Hyperventilatie was nabij. Zoals… Zoals die ene keer… Zoals die ene keer dat men hem, na een ruzie met zijn vader waarbij zijn mening erg bot onthaald werd (“bol het dan maar af”), hyperventilerend naar zijn bed had moeten dragen, ontroostbaar en gedesillusioneerd. Het viel me enorm zwaar mijn broer zo te zien. Ook mijn ogen werden glazig en ik kreeg een zware krop in de keel. Ik nam me echter voor sterk te zijn, voor hem, om hem te kunnen troosten. Ontdaan omarmde ik hem, mijn figuurlijke kleine broertje, letterlijk groter dan ik. Ik legde zijn hoofd op mijn schouder en trachtte hem te sussen. Ik voelde zijn verdriet door mijn hemd druipen. Daar stonden we dan, twee jongvolwassenen, elkaar omhelzend in het midden van de straat. Het kon mij niet schelen wat anderen dachten, mijn broertje moest getroost worden. Het was eerder een omhelzing van mijn kant. Hij stond er nogal onbeholpen bij, geen blijf wetend met zijn verdriet.

“Ik wil ni dat hij hier is nu. Hij verpest alles. Ik wou gewoon dat dit iets was voor ons gedrietjes. Denkt hij nu echt dat hij de negen jaar dat hij ons bedrogen heeft zo kan goedmaken? En dan komt hij nog naast ons wonen met de trut waarmee hij ons bedrogen heeft. Ik ben het zo beu om zijn aanwezigheid te moeten mijden, om hem en zijn trut telkens te ontwijken als ik naar buiten ga, iedere keer weer dezelfde stress om ze ni tegen te moeten komen. Ik wou gewoon dat hij ergens anders woonde, dat hij hier niet meer was. En onze familie langs zijn kant dan, allemaal hypocrieten die om niks anders geven dan om geld. Die hebben ook nooit iets van zichzelf laten horen. ze hebben ons nooit gesteund. Ik wil hem ni zien, ik wil hem ni ontmoeten.”

Al wat hij zei waren echo’s van mijn gedachten. We voelden exact hetzelfde. Al die tijd al voelden we exact hetzelfde. Onze manier van verwerken was echter anders. Ik praatte en praatte en praatte het eruit terwijl mijn broer de neiging had en heeft zijn emoties op te kroppen. Het was dan ook een kruitvat vol gevoel dat bij hem explodeerde die dag. Al wat ik geleidelijk verwerkt had werd bij hem nu in een oogwenk opgewekt. De situatie haalde hem neer. Ik trachtte hem gerust te stellen.

“Wil je dat ik ga vragen dat ze uwe naam ni afroepen? Of in ieder geval da je ni naar voor hoeft? Ik zal er hoe dan ook voor zorgen dat ge hem niet moet spreken of ontmoeten vandaag, goed?”

Hij knikte, angstvallig happend naar adem. Ons gesprek werd onderbroken door een sms van onze moeder. Ze vroeg of we terug naar binnen kwamen aangezien het afroepen van namen reeds begonnen was. Mijn broer was echter helemaal niet klaar om terug naar binnen te gaan. Ik gebood hem een sms terug te sturen en te verzoeken of zij niet naar buiten wou komen. Enkele seconden later kwam ook zij naar buiten. Het verdriet van haar zonen trof haar moederhart diep, en ook zij kon slechts met moeite haar tranen bedwingen. Ze gaf hem een troostende knuffel. Mijn broer herhaalde zijn jammerklacht die ook zij enkel kon beamen. Ik denk wel dat ze schrok dat het nog zo diep zat bij mijn broer, bij ons. Schijn bedriegt soms.

Ik kan me voorstellen dat de reactie van mijn broer voor eender welke buitenstaander veruit overdreven leek. Voor mij niet, integendeel. Het is niet de eerste keer dat ik, dat wij, ons niet begrepen voelen in deze situatie, in wat er gebeurd is, om de simpele reden dat anderen het hele verhaal niet kennen. Voor hen lijkt dit één van de vele verhalen over bedrog en echtscheiding. Het was echter veel meer dan dat. Ons gezin heeft veel meegemaakt, heeft veel geleden, is door de hel gegaan. Anderen hebben die hel niet gezien, hun matige reacties en onbegrip kwetsen, hoe begrijpelijk ze ook mogen zijn. Zoveel leed veroorzaakt door slechts één man. Een man wiens gedrag leidde tot een breuk met zijn zonen. Een man die doodleuk, na maanden radiostilte, besloot aanwezig te zijn, geheel ongevraagd, geheel ongewenst.

We gingen terug naar binnen. Een oud-leraar Nederlands kwam bezorgd vragen of alles in orde was en bood mijn broer een drankje aan.

“Misselijk door de warmte he”, luidde de afwimpeling.

We stonden achteraan in de barstensvolle zaal, meer dan achthonderd hoofden waren aanwezig. En daar, vlak naast het gangpad, zat hij. Een postuur die ik uit duizenden herken. Wit hemd. Zwarte broek. Armen gekruist. Hij had geen slechtere plaats kunnen uitkiezen. Mijn broer kon enkel via dat gangpad zijn rapport gaan halen. Ik zou hem in zijn toestand niet doorheen die zaal gestuurd hebben. Mijn moeder was hem echter moed aan het inspreken om het wel te doen. En eigenlijk had ze gelijk. Hij had het recht niet om mijn broer zijn moment af te nemen. Mijn broer moest de situatie het hoofd bieden.

“Neem desnoods het zijpad als ge terugkomt. Of bekijk uw rapport als ge voorbij hem wandelt.”

Mijn broers naam weergalmde doorheen de zaal. Hij verzamelde al zijn moed en ging rechtstreeks naar het midden van de ruimte. Mijn hart stond stil toen hij aan zijn terugweg begon. Ik smeekte dat mijn vader hem niet zou aanspreken of op welke wijze dan ook de confrontatie zou aangaan. Hij nam zijn rapport, draaide zich om, keek recht naar ons, blik op oneindig, en wandelde terug. Mijn vader bleef gedurende al die tijd in dezelfde positie zitten, onverstoord. Gelukkig. Toen mijn broer het einde van de zaal bereikte dacht ik dat het ergste nu wel voorbij was. De oud-leraar Nederlands, erg vriendelijke man, begon tegen mij te praten over de inderdaad vermoeiende hitte. Pas enkele seconden later merkte ik dat mijn broer verdwenen was, evenals mijn moeder. Ik haastte mij naar buiten. Ik zag hen niet en besloot daarom me naar de auto te begeven. Even verderop trof ik mijn broer aan, samen met mijn moeder en zijn laatste leraar Lichamelijke Opvoeding. Hij was emotioneel ingestort, ontroostbaar. De bewuste leraar had onraad geroken en was mijn broer mee naar buiten gevolgd. Hij slaagde er uiteindelijk toch in om mijn broer rustiger te krijgen, omhelsde hem, gaf hem schouderklopjes. Vervolgens liet hij ons alleen. Ik en mijn moeder produceerden de meest dankbare gelaatsuitdrukkingen die we ongemerkt konden voortbrengen.

“Kijk, we gaan gewoon wachten tot hij weg is. We verschuilen ons even waar hij ons niet kan vinden. Als hij denkt dat we weg zijn zal hij ook vertrekken en daarna kan de avond gewoon verder gaan. Dan kunt ge vieren met uw vrienden en ik en mama zijn er ook. Wa denkt ge?”

Mijn broer stemde bedroefd in. Hij was als de dood voor een ontmoeting met zijn vader. Niet dat de man een scene zou maken die avond. Er was gewoon zoveel gebeurd dat elke glimp van hem stress en negatieve energie bij ons opriep, in die mate dat we confrontatie op welke wijze ook wouden vermijden. Ik loodste mijn broer en mijn moeder binnen langs de achterzijde van de school. Vervolgens bestegen we de trappen opdat hij ons nooit zou tegenkomen. Naast de bewuste zaal liepen, ook op het eerste verdiep, langs weerszijden twee gangen. In één van beide gangen plantten we onszelf neer, zodat we toch nog konden horen wat er gezegd werd.

Piekerend en huilend zat mijn broer daar. Ik zat naast hem, arm op zijn schouder. Het werd me stilaan duidelijk dat de emotionele impact van de twee verleden jaren veel groter was dan we oorspronkelijk dachten. Ik zou zelfs voorzichtig over een trauma durven spreken. Toen we daar in de gang zaten bleek hij zijn grootste bekommernis nog niet geuit te hebben. Hij dacht namelijk dat zijn liefje, die ook afstudeerde die dag, enorm boos zou zijn omdat hij de plechtigheid niet bijwoonde en hij zo alles verpestte. Dit was natuurlijk een waanidee. Zodra de plechtigheid was afgelopen belden we haar, trachtten we haar bij hem te brengen. Ze was erg begripvol, uiteraard was ze dat. Hun ontmoeting bleek het stille keerpunt van de avond. Mijn broer werd zienderogen rustiger. Rustiger en geruster, maar nog steeds op zijn hoede. Ik stuurde enkele van zijn vrienden en zijn vriendinnetje naar de receptie om uit te pluizen of hij reeds weg was. Dit bleek het geval.

De avond kon beginnen, eindelijk. Voorzichtig begaven we ons naar de receptie. We ontvingen een glaasje fruitsap of wijn, en mengden ons tussen het volk. Het was fijn om even terug in mijn oude school te zijn. Ik ontmoette mensen waar ik in een recent verleden veel van had opgestoken. Anekdotes werden opgerakeld, vergelijkingen doorgetrokken, toekomstplannen meegedeeld. Ik was ook peter geweest van een klasje gedurende mijn late schoolcarrière. Het was zeer leuk dat een handvol van mijn vroegere ‘petekindjes’ me spontaan  kwamen begroeten, stuk voor stuk een halve meter groter dan de laatste keer dat ik ze zag. Hun jeugdig enthousiasme deed me werkelijk deugd. Ook mijn broer leek zich uiteindelijk toch te vermaken. Toen ik zag dat het goed was liet ik, samen met mijn moeder, ‘ons kleineke’ achter om hem verder te laten genieten van zijn moment. Het was zeer laat toen we de voordeur hoorden sluiten in ons bed.

Ik weet niet wat de intenties van mijn vader waren die dag. Goedbedoeld of niet, hij had niet als een dief in de nacht mogen binnensluipen om zo mijn broer de stuipen op het lijf te jagen. Onderschat, net zoals mijn vader, de aangerichte schade door bedrog en echtscheiding niet. Het slaat wonden en laat littekens, voor het leven.

De Dialoog