Le Jardin d’Alice
Het was een prachtige lenteavond. De tuin stond in volle bloei. Onder de Japanse kerselaar zat een schattig klein meisje gefascineerd te kijken naar de dansende bloesems. Ze droeg een wit jurkje, getailleerd met roos lint. Haar ballerinaatjes hadden inmiddels het vrije pad gekozen en lagen binnen handbereik in het gras te soezen. De kleine meid koesterde de tuin, schatkist van haar mooiste herinneringen, in haar hartje. Elke avond wachtte ze onder de boom nabij de poel om de zon een afscheidszoen te geven, en de sterretjes, die subtiel door het tanende daglicht slopen, te begroeten. En ook deze avond begon de zon langzaamaan de hemel te schilderen met haar warmste kleuren. In afwachting van haar vertrek verwijderde het meisje ijverig ieder bloesemblaadje dat tussen haar golvende bruine haartjes glipte. Ze hield van de roze regen waarmee de wind haar vergeefs trachtte te sluieren. IJdel als ze was voor haar leeftijd ontknoopte de jongedame vrolijk neuriënd haar satijnen haarlint. Ze streek het netjes glad en genoot dromerig van al dat zachts tussen haar vingertjes. Maar, voor ze het goed besefte, greep de wind het lint en walste ermee tot net voor de poel. Huppelend danste het meisje haar lintje achterna. Met een stevige haal naar de grond claimde ze wat haar haar toebehoorde. Toen ze terug overeind kwam schrok de kleine meid verschrikkelijk.
Wat ze aanvankelijk als haar schaduw in de poel beschouwde, bleek iets heel anders. De reflectie op het water was niet de hare. Een ijzige blik uit het donkere water doorpriemde haar verstijfde lijfje, gevolgd door een vertrouwde glimlach die haar hartje smolt. Zoute traantjes baanden koppig hun weg naar de zoete plas.
‘O-oma?’, aarzelde het meisje.
‘Oma, ben jij dat?’
De schim in het rimpelende water knikte. Een warm zomerbriesje streelde de wangetjes van de kleine meid, en droogde haar traantjes.
‘Oma ik mis je, waar was je al die tijd?’, klonk het stemmetje somber. De traantjes bleven stromen.
‘Mama zei dat je weg was, dat je nooit meer terug zou komen.’
‘Mama zei dat je de pijn niet…’
Het geritsel van het riet maakte een sussend geluid terwijl de wind huilend zijn vertrouwde wiegeliedje zong tussen de bomen.
‘Mijn lieve kleine meid toch…’, fluisterde de wind zachtjes.
‘Waarom ben je weggegaan oma?’
‘Ik ben maar heel even weggeweest lieverd. Oma was moe en is even gaan rusten bij haar eigen oma. Ik heb een bezoekje gebracht aan haar huisje in de wolkjes.’ Het mondje van het kindje viel open van verbazing.
‘Heb jij ook een oma?’, vroeg ze met opengesperde ogen. Het koude water kietelde haar kleine teentjes. Speels zette ze een pasje achteruit. Toen ze weer naar de schim keek werd haar blik weer triest.
‘Ik mis je oma… Ik heb je zo lang niet meer gezien. Ik denk aan jou als ik een snoepje neem, als ik mijn sprookjesboek naast bed zie liggen, zelfs als ik naar mama kijk.’
‘Ik mis jou ook kleintje’, antwoordde de stem vertederd, ‘maar eigenlijk ben ik de hele tijd bij jou.’
Vol ongeloof en verward keek haar kleindochtertje in het water.
‘Ik begrijp het niet oma..’
‘De wereld valt niet te begrijpen kleintje… Maar het is niet omdat je me niet ziet, dat ik er niet ben. Het is niet omdat je me niet hoort dat ik jou geen raad geef, dat ik jou niets toefluister, dat ik jou niet richt. En het is niet omdat je me niet voelt dat ik jou geen warmte of liefde geef. Zien is meer dan kijken. Luister naar het leven, niet naar je oren. En voel met je hart. Als je dit doet, kleinemijn, zal je begrijpen dat ik jou nooit echt verlaten heb, zal je snappen dat ik jou altijd en overal omhels tot de dag dat we samen mijn oma gaan bezoeken… in haar huisje in de wolken’
Hoewel de kleine meid geen woord begreep van wat de wind haar oortjes toefluisterde voelde ze perfect aan wat haar grootmoeder wilde zeggen. Echter, net als haar moeder, net als vele volwassenen zou ook zij later deze intuïtie verliezen. De oude dame wist dit maar al te goed. Zij begreep als geen ander dat starre rationele geesten, verblind door zorgen en behoeften, slechts door één middel aan het wankelen konden worden gebracht: subtiliteit.
‘Wil je iets voor me doen prinses? Zie je die mooie kleine blauwe bloempjes daar? Zou jij voor mij eens een boeketje willen plukken om aan je mama te geven?’
Het meisje vervulde het verzoekje met een glimlach. Toen ze klaar was hield ze trots de bloemenpracht boven de poel.
‘Schitterend lieverd!’, zei de grootmoeder terwijl een glimlach de triestheid in haar ogen versluierde, ‘Maar… Maar ik vrees dat het tijd is om afscheid te nemen mooie meid van me. Het is zowel voor mij als voor jou al lang bedtijd.’
Er viel een kleine stilte. Het meisje was niet droevig, integendeel, en knikte instemmend. Ze zette, starend naar haar oma, enkele pasjes achteruit. Terwijl ze zijdelings naar de achterdeur van het huis begon te dartelen wierp ze dolgelukkig ontelbare handzoentjes naar haar lieve oma.
‘Ik zie jou ook graag’, waren de laatste klanken die de wind meevoerde terwijl de schim in het donkere water vervaagde.
‘Bedtijd!’, riep een mooie jonge vrouw toen haar dochtertje het huis binnenhinkelde.
‘Wat heb je daar lieverd?’
‘Voor mij?’
‘Van wie?’
‘Van oma’, glimlachte de kleine meid toen ze vrolijk de trap beklom.
Verward en verrast door het onverwachte antwoord bleef de vrouw naar de treden staren. In haar hand praalde een boeketje Vergeet-mij-nietjes, op haar gelaat een hemelsbrede glimlach. In haar gedachten…




De Dialoog