Bloedvergiftiging
Bloed, bron van leven, wel van lust. Het rood dat ons allen verbindt. De kleur die de liefde zoent. Onze levensstroom mag dan wel rood zijn, het is niet de liefde die hem zijn donkere gloed verschaft, die hem hult in schaduw. Het is niet de liefde die menig man stuwt in zijn eindeloze slaafse instinctieve zoektocht naar vrouwelijke welvingen, die zijn ogen doet afdwalen naar boezems en billen die hem niet toebehoren, die zijn fantasieën prikkelt met ontrouwheden, die zijn handen onder vreemde rokken stuwt, zijn zondige verbeeldingen verwezenlijkt, banden breekt, harten havent, pijnigt… Nee, het is die andere kracht die door onze aderen stroomt, die ons tot bloedslavernij dwingt, ons vlees doet knievallen. Een kracht met twee gezichten die, desondanks, integraal deel uitmaakt van ons wezen. Ze negeren heeft geen zin, ze ontkennen is naïef. Verleden en heden bevestigen onze biologie. Deze kracht is niet gebonden aan tijd, in tegenstelling tot zeden. Het gevolg? De geboorte van een conflict.
Ik begrijp ontrouw, toch op z’n minst vaag. Goedkeuren doe ik het niet, maar ik kan mezelf een beeld vormen van de drijfveren, omstandigheden, en krachten die ertoe leiden, zelf man zijnde. In wezen is het een compliment voor de onmetelijke schoonheid van de vrouw. Iedere man wordt herhaaldelijk wel eens blootgesteld aan de duistere krachten die zijn lichaam herbergt. Het zijn echter enkel de heren die erin slagen zich boven hun biologie te verheffen.
Mijn vader is geen heer, nooit geweest, laat staan verheven. Vreemd genoeg was hij lange tijd hét toonbeeld van trouw en rechtvaardigheid voor iedereen die hem enigszins kende. Ieder huisje heeft echter zijn kruisje, en niet zelden is dit op één of andere manier verbonden met het kruis van de huisvader. Ook wat ons huis betreft loerde ontrouw om de hoek, letterlijk en figuurlijk.
Ze woonde een paar huizen verder destijds, werkte bij mijn ouders, en was de beste vriendin van mijn moeder. Als een waar serpent wriemelde ze zich heimelijk doorheen onze levens. Ze verleidde mijn vader en liet hem proeven van de verboden vrucht, met een duidelijk doel voor ogen. Het was echter niet de eerste keer dat hij zondigde, die eer kwam anderen toe. De jaren verstreken terwijl ze onopgemerkt een heel huishouden in haar wurggreep hield. Aangezien zij en mijn vader voornamelijk de rol van luisterend oor voor de mijmeringen van mijn moeder op zich namen, konden ze haar naar believen bespelen. Vervloekt en gezegend zij de dag dat de illusie doorprikt werd. Heerschap, achteraf bekeken, bleek heerschappij, negen jaar lang.
Mijn moeder wrikte zich los. Moeizaam, gekwetst tot op het bot en gedesillusioneerd ontdeed ze zich van hen. Mijn vader bleef verweesd achter en gedroeg zich verwerpelijk. Ik neem hem zijn gedragingen na de feiten nog veel meer kwalijk dan de onwezenlijke feiten zelf. Door zijn houding had mijn vader niemand meer. Hij duwde zichzelf in een slachtofferrol, verzadigd van zelfmedelijden. Hij beweerde een einde te hebben gemaakt aan de “affaire”, zwoer zelfs op het graf van mijn lieve grootmoeder. Niets was echter minder waar.
Het spel was nog niet uitgespeeld. Mijn vader bleek een makkelijk slachtoffer. Als redelijk vermogende onbevredigde alleenstaande trok hij oude bekenden aan. Het serpent, dat niet in staat was haar biologie te verloochenen, rook opnieuw geld en macht. Zonder schaamte trok ze bij hem in. Zonder schroom kwam zij naast de vrouw en kinderen wonen die ze jarenlang verloochend had. Alles waar ze al die jaren naar gestreefd had, kreeg ze nu in de schoot geworpen. Alles, op één ding na: haar prangende kinderwens was nog niet vervuld.
Ze moet hem de oren van het hoofd gezeurd hebben. Iedereen wist namelijk dat hij nogmaals aan kinderen beginnen niet zag zitten. Mannen zijn echter simpele wezens. Als een vrouw wil draait ze een man zo rond haar vingers. Geruchten over een eventuele zwangerschap verspreidden zich aanvankelijk als een stil ongeloofwaardig geruis. Ongeloofwaardig, tot mijn vader zelf de voedingsbodem voor de geruchten bleek. U hoort het goed, niet alleen is de minnares van mijn vader mijn buurvrouw geworden, ze is er ook nog in geslaagd om naast mijn deur haar bloed met het mijne te mengen. De schande voorbij.
Ik schaam mij voor de genen van mijn vader. 1959, dat is zijn geboortedatum. Wijsheid komt niet met de jaren, zoveel is ondertussen duidelijk. Het kind wordt volgende lente verwacht. Mijn verwekker is nu eenenvijftig, tegen de tijd dat dat wezen zijn of haar achttiende levensjaar viert, is hij reeds seniel. Het arme ding zal nooit een vader kennen, enkel een grootvader, laat staan dat het de genen erft van twee emotieloze narcistische egoïsten, gedetermineerd door hun biologie.
Ironisch genoeg is mijn vader, ondanks het feit dat ik met hem gebroken heb, nog steeds een voorbeeld voor mij, een voorbeeld van hoe het niet moet. Ongeacht mijn biologie is de grootste schande die mij overkomen kan in zijn voetsporen treden. Er zijn echter twee zaken die standvastig mijn eer weten te beschermen: een goed stel hersenen en een hart dat op de juiste plaats bonst.
Door bloed gescheiden en door bloed verbonden, dat ben ik, maar desondanks nog steeds een heer.




De Dialoog