<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Illiveris &#187; kortverhaal</title>
	<atom:link href="http://www.illiveris.com/tag/kortverhaal/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.illiveris.com</link>
	<description>In mijn hoofd is het universum groter</description>
	<lastBuildDate>Mon, 19 Dec 2011 22:32:18 +0000</lastBuildDate>
	<language>en</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.3.1</generator>
<xhtml:meta xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml" name="robots" content="noindex" />
		<item>
		<title>De schoonheid van al dat is</title>
		<link>http://www.illiveris.com/2011/08/27/de-schoonheid-van-al-dat-is/</link>
		<comments>http://www.illiveris.com/2011/08/27/de-schoonheid-van-al-dat-is/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 27 Aug 2011 11:24:17 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Illiveris</dc:creator>
				<category><![CDATA[Proza]]></category>
		<category><![CDATA[kortverhaal]]></category>
		<category><![CDATA[liefde]]></category>
		<category><![CDATA[verlies]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.illiveris.com/?p=1224</guid>
		<description><![CDATA[Die nacht, toen hij de maan plots – voor het eerst – zag glimlachen, kwamen ze. Ze ontsproten aan de schaduw. Lang, uitgemergeld, schraal. Licht en lichtheid schuwend. Sommigen kropen uit zijn aars, uit zijn oorholten, uit het diepste van zijn ziel. Anderen wriemelden zich door sleutelgaten, kieren, scheuren en afvoerbuizen. Ze drukten hun lange [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p style="text-align: justify;">Die nacht, toen hij de maan plots – voor het eerst – zag glimlachen, kwamen ze. Ze ontsproten aan de schaduw. Lang, uitgemergeld, schraal. Licht en lichtheid schuwend. Sommigen kropen uit zijn aars, uit zijn oorholten, uit het diepste van zijn ziel. Anderen wriemelden zich door sleutelgaten, kieren, scheuren en afvoerbuizen. Ze drukten hun lange klauwen, nagels, vingers tegen het raam, tegen de binnenzijde van zijn hersenwand, en krasten en knarsten rustig neerwaarts terwijl ze hem aanstaarden met hun grote gapende ogen. Ogen als gaten, kraters in de uitgerekte koppen die wankelden op hun knokenkast. Zwart. Als er al een greintje blijheid in de kamer aanwezig was geweest hadden hun grijsgroene karkassen dit meteen verteerd. Het moment was echter daar dat de maan, dode hemelrots, meer vreugde uitstraalde dan deze plek.</p>
<p style="text-align: justify;">Overdag, echter, was het een doorsnee lege kamer. Van zodra hij de deur sloot en zich naar zijn werk sleepte kon ze namelijk eender wie toebehoren. Neutraal, uitnodigend, klaar voor eender welke sfeer. &#8216;s Ochtends goot hij zijn hoofd vol cafeïne tot zijn ogen overliepen en het daglicht binnenstroomde. Gelukkig was zijn bestemming niet ver. Gelukkig. Aangekomen groette hij iedereen die hij – jammer genoeg – tegen het logge lijf liep met iets dat beschouwd kon worden als een vage glimlach. Weinig mensenkennis op de werkvloer. Neergeploft begon zijn favoriete moment van de dag: het staren. Van zodra hij neerzat staarde hij, naar zijn handen, naar zijn balpen, naar zijn handen die de balpen grepen, naar het papier, de paperassen, naar de letters op het papier, zwart badend in wit, naar de letters die hij zelf op het papier schreef. Stelselmatig vulde zijn brein zich met gestaar. Gelukkig was zijn hoofd vol op het werk. Gelukkig. Telkens weer was hij het die als laatste de ruimte verliet, telkens weer werd hij grimmig als de dag ten einde liep, telkens weer was hij teleurgesteld dat zijn hoofd niet barstte. “Workaholic”, fluisterde men dan tegen elkaar. Weinig mensenkennis op de werkvloer.</p>
<p style="text-align: justify;">Hij wou niet naar huis, stenen zonder ziel. Het avondmaal kon hij nog verdragen, het wassen, het strijken, het kuisen. Vol. Van zodra zijn maag echter gevuld was begon zijn hoofd zich te ledigen. Ruimte om te denken, zijn grote vrees. Ruimte voor de schimmen van het verleden. Het verleden: fotokaders weggemoffeld in schuiven, wegkwijnende herinneringen in gemeden kamers, leven. Pijn. Kon zijn hoofd niet gewoon vol blijven? Of barsten? Het avondlicht bracht rillende schuiven en klapperende slaapkamerdeuren met zich mee. Iedere nacht stierf hij net dat beetje meer, tot de lachende maan aangaf dat zijn hart volledig in duisternis gehuld was. Een emotieloos stuk pompend vlees dat zijn lichaam dwong om door te gaan. Vloed in zijn lichaam. Eb en vloed in zijn hoofd.</p>
<p style="text-align: justify;">Ze roken het, de afmatting, de levensmoeheid, de stank der uitputting. Zonder neus roken ze het. Toen de geur eindelijk verdween kropen ze uit de schaduw. Apathie was hun voedingsbodem. Ze verzadigden zijn kamer, iedere lichaamsopening die hij rijk was, zijn ziel. Ze fluisterden in zijn darmen. Zelfs de kamers die hij niet meer durfde betreden bevolkten zij, daar waar het monster, het verleden, in alle hevigheid woedde. Hij vreesde hen niet – dat kon hij niet meer – en gaf zich over aan hen. Stemmen in en rond hem. Vaag en voortdurend. Vluchtige fluisteringen, echo’s in de duisternis.</p>
<p style="text-align: justify;">Spoedig zouden ze hem de schoonheid van al dat is tonen. Schoonheid. Een verbannen woord. Hartsteek. Hij luisterde gretig, snakkend naar het schone, terwijl ze hem beloften inlepelden. Ze zouden hem de poort tonen naar het mooie. Wie had durven denken dat hij dit ooit nog terug zou vinden in zijn leven. Het had geen betekenis meer. Hij begon te dromen, zelfs overdag, vergat te staren. Geen lange dagen meer op het werk, weg koffie, een échte glimlach. Zwevend zag hij zichzelf het heelal verkennen, andere dimensies. Weg van hier. Weg van deze ondankbare aardkloot. Tussen de sterren. Op naar een betere wereld. Zou hij? Nee. Zou het kunnen? Liefde? Liefde. Hartsteek. Tranen vertroebelden de letters die in een recent verleden zijn hoofd vulden. Zwart badend in wit werd grijs. Tranen, tranen, tranen. Liefde. Hij werd  plots verzwolgen door een meedogenloze ongeduldigheid. Liefde…</p>
<p style="text-align: justify;">“Wanneer?”, vroeg hij hen radeloos, wetende dat het antwoord wederom spoedig zou zijn. “Spoedig.” Weldra, binnenkort, aanstonds. Woedend werd hij van ongeduld, maar hij hield zich in uit vrees dat zij alsnog van gedachte zouden veranderen. De dagen verstreken terwijl hij al lang aan het zweven had moeten zijn. Ze hadden een eigen tempo, een tergend traag tijdsbesef. Expressie kenden ze niet. Kijken in hun ogen was verdrinken in oneindigheid. Hij had er het raden naar. Onverschillig bleven ze terugkomen, iedere nacht. Tot hij het niet meer uithield. Tot hij niet meer naar zijn werk ging. Hij at niet meer. Dronk niet meer. Kwijnde weg. Koppig wachtte hij. En wachtte hij. En wachtte hij. Dag in. Dag uit.</p>
<p style="text-align: justify;">Op een gegeven moment ontvlamde hij van woede. Hij explodeerde in hun bijzijn. Alles om zich heen vernietigde hij, scheurde hij aan stukken. De sofa waar hij op sliep. Stoelen. Tafels. Lampen. Gordijnen. Alles. Hij brulde de longen uit zijn lijf. Het speeksel liep langs zijn opgeblazen kaken. Verbolgen opende hij het enige raam. “Eruit! Allemaal! Ga een ander voor de gek houden met jullie schoonheid! Met jullie wrede hoop en valse beloften! Ik heb er genoeg van! Waar is die vervloekte poort van jullie?!” Zijn woorden waren nog niet koud of er droop een lichtstraal binnen. Hij werd verblind. Toen hij het licht belemmerde met zijn handen zag hij plots dat zijn gezellen allen een lange nagel in dezelfde richting hielden. Het raam. Natuurlijk. Dat hij daar niet eerder aan gedacht had. De lachende maan. De sterren. Het raam. Vragend keek hij hen aan. Ze knikten. Overmeesterd door ongeduld waggelde hij naar zijn bureautafel. Hij viel, stond op, beklom de stoel. Nog net kon hij zijn been boven de tafel hijsen, nog net bereikte hij de vensterbank. Daar stond hij dan, gekluisterd aan een muur, enkele verdiepingen hoog. Toen hij zichzelf oprichtte zag hij twee schimmen voor zich, badend in het schaarse licht van een nakende dageraad. De sterren en de maan heersten nog steeds over het hemelgewelf. Hij kneep zijn ogen dicht om de prille schijn te trotseren. Deze vulden zich dadelijk met tranen toen hij de naderende gedaanten herkende. Zijn lijf trilde. Zijn lip rilde. Liefde. De schoonheid van al dat is.</p>
<p style="text-align: justify;">Het meisje. Ze had zijn mond en glimlach. De vrouw ernaast. Het meisje had haar ogen. Hand in hand. Ze glimlachten, net als de maan. Hij reikte hen beiden de hand. Hij huilde zo hard dat het pijn deed. Zijn hart bonsde. Hij leefde. Het meisje wees in zijn richting, trok haar moeder met zich mee. Ze volgde. Dichter en dichter kwamen ze. Het licht werd intenser. En intenser. En intenser. Net toen hij verdwaasd een stap naar voren trad, de lucht in, vol emotie, zwevend, besefte hij het. Ook het licht kwam dichter, en dichter. De wagen had hen niet gezien destijds. Dit was een herinnering.</p>
<p style="text-align: justify;">Zijn gelaatsuitdrukking getuigde van afkeer toen de ondankbare aardkloot hem naar beneden trok, zwevend door het luchtruim, naar een andere wereld. Het is onduidelijk of de belofte werd gehouden. De kamer was leeg, geen getuigen. Feit is dat hij rustend op het voetpad werd aangetroffen met een glimlach op het gezicht. De volgende dag berichtte de krant over de schoonheid van al dat is.</p>
<p><img src="http://www.illiveris.com/?voyeur=1"></p>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.illiveris.com/2011/08/27/de-schoonheid-van-al-dat-is/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>6</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Bronnen der Bezieling</title>
		<link>http://www.illiveris.com/2010/10/07/bronnen-der-bezieling/</link>
		<comments>http://www.illiveris.com/2010/10/07/bronnen-der-bezieling/#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 07 Oct 2010 18:15:11 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Illiveris</dc:creator>
				<category><![CDATA[Proza]]></category>
		<category><![CDATA[boodschap]]></category>
		<category><![CDATA[filosofisch]]></category>
		<category><![CDATA[kortverhaal]]></category>
		<category><![CDATA[tocht]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.illiveris.com/?p=880</guid>
		<description><![CDATA[Het moet zich afgespeeld hebben in het aanschijn van de maan, wier vale reflectie mijn slaapkamer vervulde met duistere contouren. De schimmen der dingen kwamen tot leven, in alle rust. Ik weet niet meer of mijn oogleden de slaap verwelkomden of er net tegen vochten. Alles was troebel. Toen de dromerige waas, die mijn zintuigen [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het moet zich afgespeeld hebben in het aanschijn van de maan, wier vale reflectie mijn slaapkamer vervulde met duistere contouren. De schimmen der dingen kwamen tot leven, in alle rust. Ik weet niet meer of mijn oogleden de slaap verwelkomden of er net tegen vochten. Alles was troebel. Toen de dromerige waas, die mijn zintuigen teisterde, vervaagde kon ik een gestalte onderscheiden in de deuropening, een wezen van de nacht. Mijn lakens rilden van angst. Twee grote glanzende ogen staarden me aan vanuit de duisternis, vol onbegrip. Het was een harig iets van bescheiden grootte, met twee beentjes en evenveel armen. Vier vermoedelijke moordwapens. Het zette enkele pasjes naar voren. Een snuit doorpriemde het maanlicht. Plotseling begon het ding  te stuiteren, vergezeld van moeizaam gekreun. Ik schrok mezelf naar de verdoemenis. De haarbal kwam echter niet mijn richting uitgesprongen, hij bleef koppig volharden in een soort beklimming van de muur naast de deur. Klik. Razendsnel gutste een overvloedigheid aan licht uit alle spots die het plafond rijk was. Het licht bracht echter geen verheldering. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Wat ik daar zelfverzekerd zag staan, de armpjes in de zij, was tegelijkertijd enorm vertrouwd, en toch ook weer niet.</p>
<p>“T-Teddy? Teddy ben jij dat?”, aarzelde ik.</p>
<p>“Ik lig al sinds je geboorte iedere dag opnieuw naast jou in bed, en nu ga je me vertellen dat je me plots niet meer herkent?”, snauwde hij, lichtjes op zijn spreekwoordelijke teentjes getrapt.</p>
<p>“N-natuurlijk wel, maar je spreekt, stapt en springt?”</p>
<p>Daarop slaakte de pluizenbol een diepe zucht.</p>
<p>“Knuffeldieren worden in frustrerende mate onderschat. Dat uitgerekend jij dat nu ook blijkt te doen slaat werkelijk alles.”</p>
<p>Het donsbeertje trof na zijn onverwacht eloquente uiting een twintiger aan met opengesperde mond en een verbaasde blik. Vol onbegrip schudde hij zijn zachte hoofdje. Zijn oogjes, die reeds herhaaldelijke cosmetische ingrepen met naald en draad hadden moeten verduren, volgden deze negatieve cadans.</p>
<p>“Weet je, ik heb hier echt geen tijd voor.”, vervolgde hij, “Trouwens,  we zijn al laat. Kom nu uit dat bed. We worden verwacht.”</p>
<p>“Maar ik ben helemaal naakt!?”</p>
<p>“En dan, ik toch ook?” Toen de beer na enige stilte doorhad dat dat argument enkel steek hield in de wereld der donzig speelgoed rolde hij met zijn oogjes. Op verveelde toon en met lange lettergreephalen mompelde hij, “Kleed jezelf dan snel aan zodat we hier weg kunnen.”</p>
<p>“Naar waar gaan we dan?”, vroeg ik terwijl ik huppelend worstelde met een jeansbroek.</p>
<p>“Als ik het zelf kon benoemen zou ik het doen, je zal me moeten vertrouwen.”</p>
<p>“Waarom zou ik een knuffel die mij in het midden van de nacht de stuipen op het lijf jaagt door mijn kamer binnen te wandelen en mij aan te spreken vertrouwen in een wereld waarin hij geacht wordt dat niet te doen of kunnen?”</p>
<p>“Als mijn intenties niet eerbaar waren had ik al duizenden kansen gehad om je in je bed te vermoorden of verminken, al moet ik toegeven dat het idee sinds het begin van onze conversatie steeds aanlokkelijker is geworden.”</p>
<p>Er volgde een pijnlijke stilte.</p>
<p>“Alsjeblieft zeg, mogen teddy’s nu ook al geen grapjes meer maken? Humor is de spil van het leven jongen. Waarom zou je me niet vertrouwen? Ik slaap iedere nacht bij jou. Ik ben altijd op je kamer aanwezig, zelfs wanneer het voor anderen strikt verboden terrein is. Er is niemand die jou beter kent dan ik, al wat zich hier afspeelde werd mij toevertrouwd en heb ik gezien.</p>
<p>“Alles?!”, vroeg ik geschrokken. Ik begon spontaan te blozen.</p>
<p>“Alles, Casanova.” Een venijnig grijnsje pronkte onder zijn snuit.</p>
<p>“Jij bent eigenlijk wel een sadistische beer zeg.”</p>
<p>“Ik had een goede leermeester.”, kaatste hij terug. Deze woorden toverden zijn voormalige grijns op mijn eigen lippen. Ik dacht even na en overpeinsde de situatie.</p>
<p>“Goed, aangezien ik je mentor wel denk te vertrouwen ben ik bereid je te volgen.”</p>
<p>“Dat werd tijd.”, glimlachte hij ingetogen.</p>
<p>Volledig aangekleed sloot ik zachtjes de voordeur. Teddy zat op mijn schouder. Toen ik aanstalten maakte om naar mijn auto te wandelen achter het huis trok hij zachtjes aan mijn haar.</p>
<p>“En waar denkt meneer naartoe te willen gaan?”, fluisterde hij in mijn oor, “Ons vervoer heeft geen wielen hoor.”</p>
<p>De beer beval me eens goed te turen naar het beekje dat rond het huis liep. Plots zag ik waar hij op doelde. Een heldere lantaarn doorbrak de donkere horizon met zijn gloed. Toen ik het licht naderde zag ik een houten bootje in het water dobberen.</p>
<p>“Meen je dat nu?”</p>
<p>Een korte snok aan de haren bleek het antwoord, waarop ik in de armzalige sloep plaatsnam. Tot mijn grote verbazing zonk het krot niet. Ik nam spontaan de riemen beet.</p>
<p>“En nu?”</p>
<p>“Roeien!”, stamelde hij terwijl hij met moeite het bankje vooraan beklom. Vervolgens legde hij zich neer in een zo comfortabel mogelijke rustpositie.</p>
<p>“En jij dan?”</p>
<p>“Als er nu één ding is dat teddyberen écht, maar dan ook écht, niet kunnen is het wel roeien.”</p>
<p>“Profiteur.”, klaagde ik toen ik zag dat hij met moeite een grijns kon verbergen. Uiteindelijk bedacht ik me echter dat die halve kilo watten nu ook het verschil niet zou maken.</p>
<p>Ik vroeg mezelf af wat in hemelsnaam de bestemming kon zijn van een nachtelijk ritje op een amper vaarwaardige beek in een schamel vaartuig met een verdacht sarcastische knuffel. Iedere haal van de riemen werkte in ieder geval kalmerend voor de geest, in se was de situatie eigenlijk absoluut niet gevaarlijk. We naderden een rioolbuis.</p>
<p>“Zullen we hier dan maar uitstappen luiwammes?”</p>
<p>“Je hoofd buigen kost minder moeite”, gaapte hij.</p>
<p>“Meen je dat nu echt? Dat is een riool?”</p>
<p>“En ik ben een beer, en jij een zeurpiet.”</p>
<p>Mopperend roeide ik verder. Het was pikdonker, in die mate dat ik een zintuig verloor.</p>
<p>“5”</p>
<p>Het water begon sneller te stromen.</p>
<p>“4”</p>
<p>Het leek alsof de watermassa onder me in ijltempo omvangrijker werd.</p>
<p>“3”</p>
<p>Ik stopte met roeien. Desondanks vaarden we steeds sneller.</p>
<p>“2”</p>
<p>“Teddy, wat gebeurt er, ik zie verontrustend weinig?”, hijgde ik benauwd.</p>
<p>“1”</p>
<p>Ik zette me schrap en deed mijn ogen dicht. Desondanks werd ik verblind. Zulk een hoeveelheid licht bereikte plots onze boot. Het was zo helder dat het pijn deed. Het eerste wat ik opnieuw kon onderscheiden was de sloep. Tot mijn verbazing was het geen krakkemikkige kano meer, maar een sierlijk vaalgrijs vaartuig met een prachtig lichtblauw zeil.</p>
<p>“Wat is er met onze boot gebeurd?”</p>
<p>“Hier gelden nu eenmaal andere wetten…”, glimlachte de beer, turend naar de in mist gehulde rivier die ons droeg.</p>
<p>“Waar is hier?”, vroeg ik toen we plots een hevige schok ontvingen. De boot was vastgelopen op een soort rotsige zandbank. Ik stapte uit, evenals mijn gezel. Pas toen zag ik dat de stroom drie meter verder eindigde. Ik zette voorzichtig enkele stappen voorwaarts en werd vervolgens op slag misselijk van de duizelingwekkende diepte die onder mijn voeten rustte. De stroom maakte echter geen geluid. Ik kon geen gespetter en geplons waarnemen, noch van de brede rivier, noch van de diepe waterval. Integendeel, het was muisstil toen de drukte in mijn hoofd verdween. Ik hoorde niets. Ik voelde niets. Fronsend vol onbegrip keek ik mijn gids aan.</p>
<p>“Hier eindigt mijn tocht.”, zei hij terwijl hij zachtjes tegen mijn been leunde.</p>
<p>“Dus tegenwoordig slachten nachtmerriewezens je niet meer ter plekke af maar leiden ze je via een riool naar een vredige in mist omsluierde waterval om vervolgens zelfmoord te suggereren?”</p>
<p>“Zoiets…”, glimlachte hij.</p>
<p>“Wat is de volgende stap? Ga je op me inpraten of ga je me duwen?”</p>
<p>“Geen van beide, je hebt toch geen keuze meer.”</p>
<p>Het zag er inderdaad naar uit dat springen de enige optie was. De stroming was veel te sterk om een gewaagde oversteek te betrachten, en overleven op een kleine rotsbank was ook geen lang leven beschoren. Al was de diepte duizelingwekkend, ik voelde aan dat een sprong geen einde zou betekenen, dat ik getuige zou zijn van iets wonderlijks beneden. Op zich was het al een zeldzaam gegeven dat ik dat aanvoelde, dat de anders en tot voor kort alomtegenwoordige rationaliteit opvallend afwezig bleef.</p>
<p>“Sluit je ogen en laat alles even varen”, zei hij geruststellend, “verplichtingen, verantwoordingen, bindingen…”</p>
<p>Ik leek te begrijpen wat hij bedoelde, en sloot langzaam mijn ogen. Innerlijke vrede, dat was wat ik voelde. Het mistlandschap omsloot mij op een uitermate rustgevende wijze. Zonder dat de kleine beer nog één woord moest uitbrengen zette ik enkele passen naar achteren, klaar om een aanloop te nemen. Ik begon te lopen, zo hard als ik kon, met de ogen dicht. Toen ik sprong keek ik nog even om. En in de glimp die mij nog restte zag ik mijn kleine vriend een lichaam naar de boot slepen.</p>
<p>Ik viel, al voelde het niet als vallen. Sterker nog, ik voelde niets. Geen zwaartekracht, geen koude, geen bindingen, geen angst. Een spontane glimlach drong zich op. Zomaar. Zelfs het feit dat ik gewaarwerd geen armen en benen meer te bezitten veranderde daar niets aan. Ik was vormeloos. Ik betwijfelde zelfs of ik was.</p>
<p>Plots kwamen er twee grote gedaanten naast me zweven. Het bleken sierlijke zeehonden, veel langer dan ik me zulke dieren meende te herinneren, met een mooie witte huid. Ze maakten een geluid dat door merg en been ging, een soort langgerekte huil. Ik glimlachte naar hen, en zij leken te glimlachen naar mij. Geheel onverwacht naderden ze steeds dichter. Opeens begonnen ze me te likken. Het kietelde. Ik zag hoe ze het hoopje vormeloosheid dat ik was opnieuw vorm trachtten te geven met hun kieteltongen. Gedurende de hele schepping bulderde ik van het lachen. Ik kreeg weer armen, benen. Ik kreeg mijn gedaante terug, in deze wereld. Toen ze klaar waren omhelsden ze me stevig aan weerszijden. Al wat ik nog kon waarnemen was hun witte huid.</p>
<p>Er volgde een stevige plons, al voelde ik niets, beschermd als ik was door de twee dikkerdjes. Toen ik bovenkwam waren mijn hervormers verdwenen. Sterker nog, ik zag zelfs geen waterval meer. Alles was glashelder. De mist was verdwenen. Ik bevond mij in een harmonieus nachtelijk landschap, badend in een kalm azuurblauw meer. Al wat ik aan de horizon waarnam was stilstaand water. Toen ik me omdraaide zag ik in de verte één enkel object de horizon trotseren. Het was een houten poort.</p>
<p>De poort herbergde een andere wereld dan diegene waarin zij zelf rustte. Ik had geen andere keuze. Het was de poort, of watertrappelen. Toen ik het houten ornament wou betreden werd ik, voor ik er ook maar één stap kon binnenzetten, brutaal besprongen door een grommend gevaarte. Met een harde smak belandde ik op de grond. Ik voelde tanden in mijn hals. Bij iedere beweging die ik betrachtte bracht het beest deze dichter bij elkaar. Ik hield snel op met tegenspartelen.  Toen ik bedaard was gunde de kolos me wat vrijheid om recht te staan.</p>
<p>Ik schraapte mezelf van de grond en zette angstig enkele pasjes achteruit. Het dier dat me net aangevallen had bleek een wolf te zijn. Een fraaie grote grijzige gedaante met helderblauwe ogen. Zijn houding getuigde van een ongekende trots en statigheid. Het wezen straalde wijsheid uit.</p>
<p>“Ik ben de wachter van de poort. Mijn excuses voor het ongemak. Niemand mag dit heilig hout zomaar betreden.”</p>
<p>“Het spijt me, dat wist ik niet.”</p>
<p>“Dat weet ik. Mijn functie is dan ook voornamelijk in het leven geroepen voor zij die dat wel weten.”</p>
<p>Het werd een beetje vermoeiend dat alle wezens die ik ontmoette in mysteries spraken. Het pijnigde mijn hoofd. Ik kon mezelf slechts een zeer vaag en globaal beeld vormen van waar ik me bevond en wat dat inhield.</p>
<p>“Ik neem aan dat u een genode gast bent”, vervolgde hij, “bijgevolg zal u me moeten toestaan u te bijten.”</p>
<p>Ik schrok. Het recente hachelijke tafereel overdoen was namelijk niet zo’n aantrekkelijke optie. Ik aarzelde. En terwijl ik twijfelde galmde een fragment van wat de beer me gezegd had door mijn hoofd:</p>
<p>“Hier gelden nu eenmaal andere wetten…”</p>
<p>Het werd me duidelijk dat ik werd verwacht. Alles was tot hiertoe gepland. Bovendien leefde ik nog, of iets dergelijks.</p>
<p>“Aangezien alles hier voorbestemd is verleen ik mijn toestemming.”, zei ik angstig.</p>
<p>“Gelieve de ogen te sluiten en u te ontspannen.”</p>
<p>Ik slaagde maar deels in de uitvoering van zijn gebod. Vanaf het moment dat ik de ogen sloot speelde de kersverse herinnering over het betreden van de poort door mijn gedachten. Ik beleefde de angst telkens opnieuw en opnieuw. Ik concentreerde me op mijn hals, slikkend in ijltempo.</p>
<p>“U mag ze weer openen.”, zei de wolf.</p>
<p>Ik schrok door deze plotse woorden aangezien ik iets anders verwacht had. Tot mijn grote verbazing liep er een kleine druppel bloed over mijn rechterpink.</p>
<p>“Mag ik?”</p>
<p>Aarzelend bracht ik mijn hand de hoogte in. De wolf likte mijn pink. Vanaf het moment dat de druppel bloed zijn tong raakte veranderde de wolf. Zijn ogen werden grijzig, zijn vacht wit met een onregelmatig lichtblauw patroon op de rug. Het patroon bestond uit een samenspel van mysterieuze tekens. Tegelijkertijd lichtte de poort op. Ze gloeide.</p>
<p>“De Verdeler heeft zijn taak volbracht. Ik zal jou vanaf nu begeleiden. Mijn naam is Oh-Pahrik. Kom. De tijd is rijp.”</p>
<p>Ik kende die stem. De herinnering eraan bracht rillingen teweeg over heel mijn lichaam. Geen angstrillingen, dat niet, rillingen veroorzaakt door herinneringen uit vervlogen tijden. Ik volgde. Een open plek in een dichtbegroeid herfstig woud, dat was de bestemming van de poort. Het was nacht. De hemel was klaar, evenals de maan. Het gebladerte ritselde rustgevend. Zodra ik deze omgeving in me opnam werd ik overvallen door een gevoel van gelukzaligheid. Ik voelde dat het einddoel dichterbij sloop. De wolf stond voor me. Plots, uit het niets, bracht hij een diep gehuil uit. Het geluid was zo intens dat mijn ogen er glazig van werden. Het werd terug stil, maar ik hoorde iets in de verte. Ik hoorde zelfs meer dan iets. Overal rondom de open plek hoorde ik geritsel. Er renden verschillende gedaanten onze kant uit. We werden beslopen.</p>
<p>Ik zag ogen turen in de duisternis, vele ogen. Toen ik me omdraaide zag ik nog een wolf staan. Toen ik me weer omdraaide stonden er nog twee langs weerszijden van Oh-Pahrik. Op den duur was ik volledig omcirkeld. Blijkbaar werd er een roedel op de been gebracht. Frappant was dat de vacht van alle wolven, ondanks hun verschil in uiterlijk, exact hetzelfde patroon herbergde als dat van mijn begeleider.</p>
<p>“Dames, heren, bloedbroeders, familie. Zoals jullie wellicht geroken hebben is er een entiteit in ons midden, een verzocht verwantschap. Mag ik jullie vragen het oriëntatieritueel uit te voeren om het pad voor deze verloren zoon te effenen.”</p>
<p>Alle wolven gaven een kort blijk van instemming. Vervolgens gingen ze, simultaan, zitten, het hoofd gericht naar de maan. Eén voor één begonnen ze te huilen. Toen heel de cirkel vol overgave huilde begon de grond onder mijn voeten te trillen door een fenomeen boven mijn voeten. Het werd lichter, en lichter. Ze huilden en huilden. Het wolvenkoor benutte al haar kracht. Ik keek naar boven. De maan kwam dichter en dichter, beangstigend naderbij. Nog nooit had ik het hemellichaam zo groot gezien. Plots, naarmate de lichtbal groter werd voor mijn ogen, zag ik een donkere contour verschijnen voor de maan, een duistere pegel. Het was een bergtop. Zodra ik de rotsenpunt opgemerkt had stopte het gehuil. Ik had me zo gefixeerd op de maan dat ik toen pas merkte dat de wolven ondertussen weg waren. De hint was duidelijk.</p>
<p>Zonder aarzelen spoedde ik me naar de voet van de berg. Mentaal bereidde ik me voor op een zware beklimming. Toen ik het woud echter doorkruist had en het landschap zich achter de bomen openbaarde zag ik een trap. Er kronkelden treden, van voet tot top, omhoog. Ik begon eraan, met volle moed, opgewonden en nieuwsgierig. Het duurde een eeuwigheid. Al was het niet onaangenaam. Tijdens de tocht naar boven dacht ik na, over alles. Over mezelf, over de wereld, over het leven. Ik vond het fijn dat er mij een moment gegund werd om na te denken, te reflecteren. Voor ik het goed en wel besefte had ik, verzonken in gedachten, de top bereikt. Ik schrok er zelf een beetje van. De bergkruin vormde een soort hoogplateau. In de verte zag ik een vrouw staan, in een prachtig lang gewaad, de rug naar me toegekeerd.</p>
<p>Deze mysterieuze dame was mijn eindbestemming, ik voelde het. Vergezeld van duizenden vragen benaderde ik haar. Toen ze mijn voetstappen gewaarwerd draaide ze zich om.</p>
<p>Mijn mond viel open. Ik viel op de knieën. Mijn ogen werden glazig. Mijn huid rilde. Mijn lichaam trilde. Ik kreeg geen adem. Ik stond verstijfd. Mijn lippen trachtten een woord te vormen dat ze lange tijd, tot hun grote spijt, niet hadden uitgebracht. Toen mijn lippen in positie waren kreeg ik geen noot uit mijn keel. Ik slikte.</p>
<p>“Oh-oma, ben jij dat echt?”</p>
<p>“Wat is echt in deze wereld jongen? De herinnering aan mij, de fysieke verschijning die ik ooit was? Mijn spieren, mijn botten, mijn karakter?”</p>
<p>Ze glimlachte.</p>
<p>“Wat echt is doet er niet toe… Moest ik mezelf nu aandienen conform met wat jouw wereld als echt definieert zou je jezelf – oh ironie – doodschrikken. Mijn fysieke dagen zijn voorbij m’n jongen, dat weet je best. Moest ik mezelf aandienen zoals de wetenschap, waar je zo in gelooft, dat wil, zou je de hele wereld moeten overtuigen van het feit dat je niet krankzinnig bent. Het gaat hier niet om echtheid, het gaat hier niet om waarheid. Besef dat goed! Het gaat enkel om wat deze ontmoeting met je doet.”</p>
<p>“Ik kan bijgevolg evengoed een product zijn van je verbeelding, een imaginaire inzinking. Ik kan echter ook een manifestatie zijn van dat wat niet meer is, de schim van een bezorgde grootmoeder die haar kleinkind ontmoet op de veiligste der ontmoetingsplaatsen: jouw droomwereld. Daar waar realiteit en irrealiteit met elkaar vermengen, op vele wijzen.”</p>
<p>“Het kan goed zijn dat ik een overgang creëerde om je te laten wennen aan onze irreële ontmoeting, wie zal het zeggen. Je komt namelijk niet iedere dag sprekende dieren tegen. Even plausibel echter is dat je dit alles zelf creëerde. Twijfel kan geen kwaad jongen, het zijn zij die het meest overtuigd zijn van het grote gelijk die het meeste schade berokkenen.”</p>
<p>“Wat is draaglijker? Een wereld zonder enige activiteit na de dood of een wereld waarin het zeer waarschijnlijk is dat de dood een einde betekent, maar waarin hoop en liefde twijfel zaaien, en een transcendentale illusie scheppen of een onbewezen en onbewijsbare hypothese in ere herstellen, en zo, al dan niet terecht, een sprankeltje geluk zaaien in deze kosmische leemte. Besef goed, het gaat enkel om wat deze ontmoeting met je doet. Respecteer eender welk geloof in de mate van het wenselijke en het redelijke, en laat de wetenschap claimen wat haar toekomt.”</p>
<p>“Tot slot, je zal deze boodschap verspreiden op de wijze die jij boven alles verkiest: De kracht van het woord in jou. Het zou echter maar saai zijn moest jij je alles plotsklaps herinneren bij jouw ontwaken, vind je niet?”</p>
<p>Ik beantwoorde haar glimlach en liet haar woorden verder in me sijpelen.</p>
<p>“Ik zal er dan ook voor zorgen dat je alles vergeten bent als je wakker wordt en enkel jouw onderbewustzijn bevolken bij het aanschouwen van een nieuwe ochtendgroet, en zachtjes fluisteren, daar waar enkel jij me kan horen.”</p>
<p>Ze gaf me een kus op het voorhoofd. Ik kon geen woord uitbrengen en luisterde nederig.</p>
<p>Ik werd wakker zoals gewoonlijk. Goed geslapen, uitgerust, klaar om te studeren. In de loop van de dag flakkerde er echter een idee op dat ik al enige tijd koesterde. Nu pas voelde ik een hevige drang om het neer te schijven. Als in een trance schraapte ik een pen van mijn bureau en een onbeschreven boekje dat ik mezelf, toevallig, de dag voordien aangeschaft had. Bedwelmd door gedachten begon ik te schrijven, onstopbaar, onstuitbaar. De woorden vloeiden gretig uit mijn pen. Ik begrijp nog steeds niet hoe dit kon, met zulke intensiteit en ongereptheid. Inspiratie, denk ik.</p>
<p><img src="http://www.illiveris.com/?voyeur=1"></p>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.illiveris.com/2010/10/07/bronnen-der-bezieling/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Tantrische Tango</title>
		<link>http://www.illiveris.com/2010/08/07/tantrische-tango/</link>
		<comments>http://www.illiveris.com/2010/08/07/tantrische-tango/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 06 Aug 2010 22:38:42 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Illiveris</dc:creator>
				<category><![CDATA[Proza]]></category>
		<category><![CDATA[act]]></category>
		<category><![CDATA[dansen]]></category>
		<category><![CDATA[joboverschrijdend]]></category>
		<category><![CDATA[kortverhaal]]></category>
		<category><![CDATA[lust]]></category>
		<category><![CDATA[man]]></category>
		<category><![CDATA[naakt]]></category>
		<category><![CDATA[passie]]></category>
		<category><![CDATA[seks]]></category>
		<category><![CDATA[strippen]]></category>
		<category><![CDATA[strippers]]></category>
		<category><![CDATA[tango]]></category>
		<category><![CDATA[tantrische seks]]></category>
		<category><![CDATA[verleiding]]></category>
		<category><![CDATA[voorspel]]></category>
		<category><![CDATA[vrouw]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.illiveris.com/?p=836</guid>
		<description><![CDATA[Met een blik vol vuur keek hij haar aan op een wijze die alle geachte professionaliteit deed smelten. Zij hield haar hoofd afzijdig. Haar strak naar achteren geknoopte lokken glansden in het schemerlicht, getemd in een gitzwarte staart met een roos. Wat hij echter niet zag was dat hij vanuit haar ooghoeken eveneens heimelijk begluurd [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Met een blik vol vuur keek hij haar aan op een wijze die alle geachte professionaliteit deed smelten. Zij hield haar hoofd afzijdig. Haar strak naar achteren geknoopte lokken glansden in het schemerlicht, getemd in een gitzwarte staart met een roos. Wat hij echter niet zag was dat hij vanuit haar ooghoeken eveneens heimelijk begluurd werd. Zij nam zijn brede postuur in zich op, trachtte een knoopje verder te turen dan zijn hemd in werkelijkheid toeliet. Toen de Argentijnse tonen als uit het niets de ruimte bevolkten voorzag zij deze van gracieuze handvaardigheid. De finesse van haar vingers sprak tot zijn verbeelding terwijl hij haar ritmisch kordaat benaderde. Hoe dichter hij kwam, hoe dramatischer de melodie. Vlak voor haar hield hij halt, net als de muziek. Hij nam haar hand en trok haar bij zich. Daarbij liet hij subtiel zijn ogen glijden over haar gehele vrouwelijkheid. Haar bovenlichaam was gehuld in zwarte doorschijnende kant en liet, afgezien van haar zwarte welgevulde boezemhouder, niet veel aan de verbeelding over. Zijn andere hand schreed langs haar onderrug naar boven en dwong haar zachtjes zijn torso te benaderen.&nbsp; Hoewel zij lichtjes leek tegen te spartelen, wilde ze diep vanbinnen niets liever dan die brede schouders benaderen. Zijn aanraking deed haar huid tintelen. Hij kon haar kippenvel voelen. Ze stonden zo dicht bij elkaar dat hun neuzen bijna zoenden en hun wangen vrijwel vrijden. Onbewust bevochtigde zij haar lippen met haar tong, een taak die hij liever op zich had genomen. Ze wisselden ademteugen uit, elkaars nabijheid bewasemend.</p>
<p>Hun hart hervatte het slaan toen plots de eerste dramatische noot opnieuw de stilte verjoeg. Hij leidde, zij volgde. Op zijn aangeven voerden zij samen ettelijke danspatronen uit, slepend, draaiend, buigend. Beiden dansten met liefde voor het vak: zwoel, sensueel, gepassioneerd. Hij zwierde haar ver voor zich uit. Net voor ze buiten zijn bereik tolde zocht ze een stevige houvast. Waar zij zijn arm wou grijpen greep ze z’n mouw. Lichtjes verstomd kwam ze tot stilstand, met een zwarte lap stof in haar hand. Verdwaasd stelde hij zijn ontsluierde naaktheid vast. Zijn ogen wendden zich tot haar, agitatie veinzend, zinnend op wraak. Hij benaderde haar rugzijde, smullend van haar aanzicht. Likkebaardend lonkte hij naar haar lange hakken, haar eindeloze benen, haar strakke achtersteven en haar welgevormde dijen, stevig omspannen door een zwarte kokerrok. Geen mooier silhouet dan dat van een vrouw.</p>
<p>Voor hij het goed en wel besefte was hij slaaf geworden van zijn eigen lusten en pronkten zijn handen stevig op haar welvingen, haar knappe curven. Haar aanstekelijke aroma deed de herinnering aan wat ooit een vast danspatroon was vervagen. Bedwelmd door haar parfum liet hij zijn handen naar boven glijden. Via haar dijen verkende hij haar taille tot haar oksels zijn gretige vingers een halt toeriepen. Hoe hoger hij ging, hoe luider zij naar adem snakte, gewillig. Plots slaakte zij een zachte kreun. Haar borsten werden omstrengeld door zijn gretigheid. Hij droomde weg bij het voelen van haar bevallige boezem. Bijna instinctmatig plaatste zij haar handen op de zijne, een subtiele bede om tederheid. Haar hartslag was voelbaar, door hem heen. Ten gevolge van deze voorzichtige aanraking werd hij zich wederom bewust van zijn ontblote arm. Zinnenprikkelend verlangen hervoedde zijn onvoldane wraak.</p>
<p>Een verraste kreet vulde de ruimte toen hij in een vluchtige opwelling haar kanten kledingstuk in één ruk van haar lichaam reet, toen het refrein aanbrak, en het enige passen later op de dansvloer achterliet. Schijnbaar ontdaan draaide zij zich om. Met ritmische tred zette ze enkele stappen naar voren, haar hoge hakken mooi in de maat. Ze benaderde hem, wiegend, drogerend, ontwapenend. Met een ietwat open mond zag hij haar afstomen. Hij was weerloos, het visuele schepsel. Dat wist zij maar al te goed. Zijn inzicht kwam echter pas toen hij een welgemikte pump in zijn kruis kreeg. Hoewel raak trof ze hem niet met volle kracht. Het was een beredeneerde en beheerste waarschuwing van haar kant. Wellicht had ze zijn diensten nog nodig. De klap dwong hem tot een buiging. Vernederd draaide hij zich om, gebogen. Nog voor hij zijn eer kon redden door de dans te hervatten was hij zijn broek kwijt. Met zijn pijpen in haar handen gaf ze zijn in boxershort gehulde billen de aandacht die ze verdienden.</p>
<p>Toen hij zich omdraaide betrapte hij haar, starend. Hij besloot dat de maat vol was. Zijn schoenen en sokken vlogen als projectielen met enige vlotheid door de kamer. Hij scheurde zich de kleren van het lijf. Enkel zijn ultieme mannelijkheid ontsprong de dans. Vervolgens keek hij haar aan met een vragende blik. Zijn lichaamstaal vroeg haar of het zo voldoende was, of ze nu tevreden was. Zij begreep zijn taal maar al te goed. Heimelijk verbeet ze haar genot, de tanden op de lippen duwend. Haar onbeslistheid dwong hem tot actie. De spanning werd hem te groot. Hij waagde een erotische sprong naar haar kokerrok. Zij ging echter angstvallig een pas achteruit waardoor hij voor haar voeten neerstreek. Hij gaf niet op en kroop naar haar benen. Langs haar kuiten vond hij een weg naar boven. In allerijl trachtte hij haar te ontdoen van haar rok. Zij spartelde echter koppig tegen. Hij tilde haar van de grond net toen het laatste refrein eindigde. Machteloos werd zij in de lucht geslingerd. Ze spartelde tegendraads en klampte zich vast aan alles wat ze graaien kon. Het passionele lied naderde zijn einde. Hij legde haar vastberaden maar voorzichtig neer op de grond. Haar lichaam rilde door de koude ontmoeting met de vloer. Tezelfdertijd plunderde hij haar rok. Jarretelles. Dat was het toppunt. Zwarte jarretelles.</p>
<p>Hij kon zich niet meer houden. Bedwingen was niet langer een optie. Hij begon haar te zoenen. Haar enkels. Haar schenen. Haar knieën. Haar bovenbenen. Haar intiemste plekje, nog steeds vergeven van mysterie door een lapje stof. Haar onderbuik. Haar navel. Haar middenrif. Zijn neus struikelde over haar bh, maar niet voor lang. Haar tepels leden nog onder de koude toen ze met warmte omfloerst werden. Vervolgens werd haar hals geliefkoosd. Ze kneep innig in het laatste lapje stof dat ze hem tijdens haar vlucht had ontvreemd en nu in haar vuist rustte. Ze voelde hem, overal. Hij spoedde zich naar haar lippen, het doel van heel zijn reis, tevergeefs. Ondanks zijn haast was hij te laat, zoals gewoonlijk. De muziek die zijn passie zo voedde verliet de nabijheid. De kamer werd plotsklaps weer verlicht. Teleurgesteld zag hij in de verte een dikke geilaard naderen die haar jarretelles gretig wat geld toestopte.</p>
<p><img src="http://www.illiveris.com/?voyeur=1"></p>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.illiveris.com/2010/08/07/tantrische-tango/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>7</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Dag Dromelingen (compleet)</title>
		<link>http://www.illiveris.com/2010/04/26/dag-dromelingen-compleet/</link>
		<comments>http://www.illiveris.com/2010/04/26/dag-dromelingen-compleet/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 25 Apr 2010 22:12:46 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Illiveris</dc:creator>
				<category><![CDATA[Proza]]></category>
		<category><![CDATA[angst]]></category>
		<category><![CDATA[berg]]></category>
		<category><![CDATA[betonnen]]></category>
		<category><![CDATA[bewasemen]]></category>
		<category><![CDATA[blauw]]></category>
		<category><![CDATA[blazers]]></category>
		<category><![CDATA[boom]]></category>
		<category><![CDATA[burchten]]></category>
		<category><![CDATA[bureau]]></category>
		<category><![CDATA[bureaublad]]></category>
		<category><![CDATA[cocon]]></category>
		<category><![CDATA[dagdroom]]></category>
		<category><![CDATA[data]]></category>
		<category><![CDATA[decibel]]></category>
		<category><![CDATA[definities]]></category>
		<category><![CDATA[dolend]]></category>
		<category><![CDATA[donderslagen]]></category>
		<category><![CDATA[donker]]></category>
		<category><![CDATA[doodsangst]]></category>
		<category><![CDATA[dramatisch]]></category>
		<category><![CDATA[droom]]></category>
		<category><![CDATA[duif]]></category>
		<category><![CDATA[duikvlucht]]></category>
		<category><![CDATA[duisternis]]></category>
		<category><![CDATA[engelen]]></category>
		<category><![CDATA[explosie]]></category>
		<category><![CDATA[gehinnik]]></category>
		<category><![CDATA[gek]]></category>
		<category><![CDATA[gelukzaligheid]]></category>
		<category><![CDATA[geproest]]></category>
		<category><![CDATA[glimlach]]></category>
		<category><![CDATA[hart]]></category>
		<category><![CDATA[heelal]]></category>
		<category><![CDATA[hemel]]></category>
		<category><![CDATA[hemelbestormers]]></category>
		<category><![CDATA[hemelruim]]></category>
		<category><![CDATA[hengst]]></category>
		<category><![CDATA[horizon]]></category>
		<category><![CDATA[illusie]]></category>
		<category><![CDATA[instrumenten]]></category>
		<category><![CDATA[kanjer]]></category>
		<category><![CDATA[klinkers]]></category>
		<category><![CDATA[knipogen]]></category>
		<category><![CDATA[kolos]]></category>
		<category><![CDATA[kortverhaal]]></category>
		<category><![CDATA[krankzinnigheid]]></category>
		<category><![CDATA[krater]]></category>
		<category><![CDATA[labiel]]></category>
		<category><![CDATA[lava]]></category>
		<category><![CDATA[licht]]></category>
		<category><![CDATA[liefde]]></category>
		<category><![CDATA[lucht]]></category>
		<category><![CDATA[luchtstroom]]></category>
		<category><![CDATA[meisje]]></category>
		<category><![CDATA[muziek]]></category>
		<category><![CDATA[neus]]></category>
		<category><![CDATA[oceaan]]></category>
		<category><![CDATA[Olympische worp]]></category>
		<category><![CDATA[oneindigheid]]></category>
		<category><![CDATA[oog]]></category>
		<category><![CDATA[oogcontact]]></category>
		<category><![CDATA[oogleden]]></category>
		<category><![CDATA[paard]]></category>
		<category><![CDATA[paleizen]]></category>
		<category><![CDATA[percussie]]></category>
		<category><![CDATA[regenboog]]></category>
		<category><![CDATA[ros]]></category>
		<category><![CDATA[rotsenvoet]]></category>
		<category><![CDATA[rotsprop]]></category>
		<category><![CDATA[rug]]></category>
		<category><![CDATA[samenzijn]]></category>
		<category><![CDATA[schimmel]]></category>
		<category><![CDATA[slotgrachten]]></category>
		<category><![CDATA[sneeuw]]></category>
		<category><![CDATA[sneeuwgordijn]]></category>
		<category><![CDATA[sterrenstof]]></category>
		<category><![CDATA[storm]]></category>
		<category><![CDATA[strijkers]]></category>
		<category><![CDATA[stronk]]></category>
		<category><![CDATA[syllabus]]></category>
		<category><![CDATA[termen]]></category>
		<category><![CDATA[tikken]]></category>
		<category><![CDATA[vastberadenheid]]></category>
		<category><![CDATA[verbazing]]></category>
		<category><![CDATA[verbeelding]]></category>
		<category><![CDATA[vleugels]]></category>
		<category><![CDATA[vleugelslagen]]></category>
		<category><![CDATA[vliegen]]></category>
		<category><![CDATA[vlokken]]></category>
		<category><![CDATA[vogeltje]]></category>
		<category><![CDATA[vulkaan]]></category>
		<category><![CDATA[weer]]></category>
		<category><![CDATA[wind]]></category>
		<category><![CDATA[windhoos]]></category>
		<category><![CDATA[wolken]]></category>
		<category><![CDATA[wolkengruis]]></category>
		<category><![CDATA[wolkenwit]]></category>
		<category><![CDATA[zon]]></category>
		<category><![CDATA[zucht]]></category>
		<category><![CDATA[zwaar]]></category>
		<category><![CDATA[zwaartekracht]]></category>
		<category><![CDATA[zwart]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.illiveris.com/?p=642</guid>
		<description><![CDATA[Daar zat ik dan, aan mijn bureau. De uren slopen heimelijk voorbij. Het duurde even voor ik doorhad dat buiten de eerste vlokken neerdwarrelden. Ondanks het feit dat het feeërieke fenomeen mij doorgaans wel wist te bekoren, was dat deze keer niet het geval. Mijn hoofd zat vol termen, definities en belangrijke data, er was [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Daar zat ik dan, aan mijn bureau. De uren slopen heimelijk voorbij. Het duurde even voor ik doorhad dat buiten de eerste vlokken neerdwarrelden. Ondanks het feit dat het feeërieke fenomeen mij doorgaans wel wist te bekoren, was dat deze keer niet het geval. Mijn hoofd zat vol termen, definities en belangrijke data, er was gewoonweg geen plaats voor sneeuw.  Een poging om met een diepe zucht het raam voor mijn neus te bewasemen draaide ook op niets uit. Ik probeerde niet naar mijn bureaublad te turen. Ik was er namelijk van overtuigd dat de syllabus die onder mijn handpalmen rustte mij flagrant aan het uitlachen was in de wetenschap dat ik hem niet zomaar uit het raam kon slingeren. Daar had ik nochtans zin in, veel zin. Ik zag een prachtige Olympische worp voor ogen, net voorbij de boom op het plein. Toen pas viel het mij op hoe rustig het buiten was, hoe maagdelijk wit het landschap. Zelfs de boom had  een winterjas gekregen. De duif op één van zijn takken echter niet. Net toen ik medelijden kreeg met het diertje leek hij, of zij, naar mij te knipogen.</p>
<p>Er verscheen even een glimlach op mijn gezicht terwijl ik mezelf een levendige verbeelding toewees. Het weer werkte hypnotiserend. Net toen ik bijna wegdoezelde leek de duif wel naar mij te wuiven. Sterker nog, het leek zelfs of het vogeltje met zijn vleugel gebaarde het te vergezellen op de tak. Gelukkig was ik nog voldoende bij bewustzijn om het vermoeden te koesteren dat ik ijlde. Het mocht echter niet baten. Even later begon zelfs de boom mij aan te manen om naar buiten te komen. Mijn mond viel open. Mijn hersenen lachten mijn ogen vierkant uit. Ze konden het echter niet helpen, ze zagen wat ze zagen.</p>
<p>Veel tijd voor verwondering was er niet. Plots zwaaide de boom één van zijn grootste takken in mijn richting. De stronk penetreerde mijn ruit, nam me vast, en sleurde mij meedogenloos mee naar buiten. Daar hing ik dan, ter hoogte van de duif. “Even pauze kanjer, je hebt het verdiend.” Dit was werkelijk de druppel: een sprekende duif. Ik wou een conversatie beginnen met de vogel, mentaal was ik die dag blijkbaar toch al labiel, maar ik voelde dat de boom zijn krachten bundelde om de zwaartekracht te tarten. En dat deed hij ook. Voor ik ook maar één woord kon uitbrengen lanceerde de kolos mij het luchtruim in.</p>
<p>Terwijl ik naar boven vloog, de ziel uit mijn lijf krijsend als een klein meisje, zag ik enkel sneeuw. Zelfs de betonnen klinkers  van het plein, die ik dadelijk van wel heel dichtbij zou waarnemen en voelen, waren aan mijn oog ontstolen. De zwaartekracht begon aan mij te trekken. Wat initieel een opwaartse beweging was, bleef dat niet. Net voor ik aan een helse duikvlucht begon, en tevens aan de omzetting van mijn doodsangsten in decibels, hoorde ik zeer luid gehinnik en geproest. Een zwarte gevleugelde gedaante scheerde door het sneeuwgordijn en ving me op. Ik klampte mij stevig vast aan wat de rug van een hengst bleek te zijn, een prachtig ros.</p>
<p>Met enkele gracieuze vleugelslagen zette hij standvastig koers in de witte oneindigheid. Zijn vastberadenheid temperde mijn eigen angst. Het klinkt misschien bizar, maar dankzij hem vond ik rust in die storm, in die mate zelfs dat ik geleidelijk indommelde, stilletjes verlangend dat het moment zou blijven duren. Mijn oogleden hadden nog geen seconde rust genoten toen het paard zich liet vallen, zijn vleugels beschermend boven mij gericht. Ik was zodanig geschrokken dat mijn hart het tikken niet meer kon bijhouden. Al wat ik waarnam in de gevederde cocon was het suizen van de wind, vergezeld van hevige donderslagen.</p>
<p>Toen het paard zijn veren weer spreidde en zich liet meevoeren door een luchtstroom  was er geen sneeuw meer te bekennen. Sterker nog, ik zag al wat de horizon te bieden had. Met open mond aanschouwde ik oceaan, zo ver het oog reikte. Slechts één obstakel doorpriemde het woeste water, één gigantische berg tartte de oceaan met een kruin die zelfs de wolken achter zich liet. Nooit eerder zag ik zo’n donkere dramatische hemel. Ik was getuige van een machtig fenomeen. De wolken maanden de wind, donderend met hun bliksemse zwepen,  aan de golven zulke grootte en vaart te geven dat ze met alle geweld tegen de berg zouden slaan. En de golven gehoorzaamden, als rollende reuzen ramden ze zijn rotsenvoet. Mijlenver waren de klappen te horen.</p>
<p>Met stijgende omwentelingen beklommen we de berg. Dat ik het niet zo zag zitten om de grijze wolken die hem kroonden te verkennen leek mijn metgezel niet te deren. Wederom werd mijn zicht ontnomen. Blind tussen al dat wolkengruis kreeg ik de illusie dat ik instrumenten hoorde. Strijkers, blazers, percussie, noem maar op. Hoe hoger, hoe luider. De muziek gaf de situatie perfect weer: dramatisch, zwaar, dolend in oneindigheid… Net daarom klasseerde ik dit gegeven weer als een product van mijn eigen krankzinnigheid. Dat de muziek adequaat was nam ik angstvallig als bewijs dat ik toch niet volledig gek geworden was. Toch niet volledig.</p>
<p>Plots doorpriemde het paard het wolkenwit d               at plaats ruimde voor hemels blauw. De berg bleek een vulkaan te zijn, die een gigantische rotsprop in zijn krater droeg. Terwijl we rond deze prop vlogen zag ik hoe het beuken van de golven de druk in de vulkaan deed stijgen. Er ontstonden spelonken waar in alle hevigheid lava uitgutste. Het schouwspel werd heviger en heviger. Het ging er zo intens en dreigend aan toe, dat ik hoopte dat het ros het gebeuren spoedig achter zich zou laten. Toen we de schaduwzijde van de prop verlieten werd ik verblind door helse zonnestralen en verdoofd door sterke geluiden. De muziek werd zo luid dat ik dadelijk mijn hand boven mijn ogen hield om beter te kunnen turen. Wat ik toen zag deed mijn mond openvallen van verbazing.</p>
<p>Paleizen. Ik zag zwevende paleizen. Trotse burchten gevestigd op de wolken, rustig drijvend op de wind. Prachtige hemelse kolossen waren het. De slotgrachten, die hun omwallingen omgaven, regenden van de wolkenranden af, de dieperik in. Ieder paleis, opgetrokken uit wit marmer en versierd met talloze kleurrijke vaandels, was verbonden met de anderen via regenbogen. Overal zag ik mensen aan de glasheldere horizon. Wat zeg ik, mensen, ze vlogen door het luchtruim als ware engelen. Ze beschikten over gevederde vleugelparen. Ieder van hen droeg ook een instrument bij zich. Tussen de kantelen van de burchten verschenen mensen, en ze vulden ook glimlachend de binnenpleinen en de ramen van de immense torens. Iedereen zong uit volle borst en bespeelde met heel hun ziel datgene wat ze bij zich droegen. Elke stem en elke hand leek bij te dragen aan de eensluidende meeslepende melodie die ik reeds vaag tussen het wolkengruis gehoord had. De zware percussie gaf de maat aan, terwijl de strijkers en blazers steeds feller afstevenden op een harmonieuze climax . Het oneindige orkest leek perfect mijn dramatische vlucht in noten te weerspiegelen en te weergalmen. Al deze mensen leken mij te verwachten. Sterker nog, het leek zelfs of ik het middelpunt van de belangstelling was, of ze dit alles voor mij deden. Terwijl ik tussen al dit moois zweefde kreeg ik waterige ogen en een week gemoed. De muzikale onderdompeling doordrong mijn lichaam met een gevoel van gelukzaligheid en ontzag. De spontane glimlach die zij op mijn gelaat toverden leek vastberaden en voor altijd te willen blijven. Ze wisten de gevoeligste snaar van mijn wezen te raken, mijn hart.</p>
<p>Waar ík niet wist waar eerst te kijken en te genieten, wist mijn gevleugelde vriend dat des te beter. Onverschrokken vloog hij zijn voorgestempelde route tussen de hemelse paleizengalerijen.  Toen ik mezelf oprichtte om boven zijn hoofd de horizon af te speuren naar enige doelbestemming zag ik dat er een gedaante met hevige vaart naar ons toe gevlogen kwam. Ik herkende de bewegingen waarmee de verschijning het hemelruim doorkliefde. Het was namelijk een ander gevleugeld ros, met als enige verschil dat het naderende dier een prachtig witte vacht herbergde. Tot mijn grote verbazing vervoerde deze schimmel ook een persoon. Ik zag haar lange haren dansen in de wind, het was een meisje. Met even verbaasde en waterige ogen als ik maakten we naderend oogcontact.</p>
<p>In een roes van verwondering glimlachten we naar elkaar. Ons treffen kon niet toevallig zijn. De hele horizon was op ons afgestemd, alle blikken waren op ons gericht. De intentie van de hemel bleek ons samenzijn. Toen pas besefte ik dit ten volle, en zij blijkbaar ook. Een gedeelde gelukzaligheid bracht ons ertoe onze angsten en zorgen achter ons te laten, onszelf op te richten,  en rechtop te staan. Het druiste in tegen alle logica, maar toch deden we het, gewoon omdat het kon. In volle vaart stonden we recht op de rug van onze nobele hemelbestormers en strekten we glimlachend onze armen. Toen we langs elkaar scheerden greep ik haar handen, en zij de mijne. Net op dat moment hoorden we beiden twee oorverdovende knallen achter ons. Het klonk alsof de wereld verging, alsof het einde naderde. We werden van onze paarden gerukt en tolden rond in het hemelruim, onzeker turend in elkaars ogen. Boven onze tollende hoofden zagen we twee gigantische rotsproppen naar de zon razen. Onze paarden raakten uit koers en begonnen eveneens rond te cirkelen. Hun vaart was zo intens dat er een windhoos ontstond. We bevonden ons in het oog. De proppen troffen de zon in volle vaart waarop zo’n hevige explosie volgde dat iedere cel in onze lichamen trilde.</p>
<p>Na de enorme knal was het eerst donker, verblindend donker. De duisternis heerste zodanig dat ze onze harten vulde met angst. Zwevend in zwart vertrouwden onze handen op elkaar. Ik was blij dat ik haar bij me had, dat ik niet alleen was. Ondanks het feit dat we de wind voelden en hoorden tieren, leek het even of de tijd stil bleef staan. Toen ik naar boven keek was de zon weg. Eén van de grootste zekerheden die mijn wereld sinds mensenheugenis had gekend was uiteengereten. Toch zag ik licht in de verte. Het kwam steeds dichter en dichter. Plots was het overal, alom aanwezig. Het regende sterrenstof. Een prachtig gouden neerslag vulde het heelal, omhelsde ons in het duister. Dankzij het nieuwe warme licht zag ik haar stralende glimlach, haar mooie fonkelende ogen, de zonnedeeltjes weerspiegelend. Ik wou dat het moment bleef duren, voor eeuwig, kijkend in haar ziel, badend in sterrenzweem. De tijd liet mijn wens echter koud, want het werd geleidelijk aan opnieuw duister. Al wat ik wou zien werd opnieuw gehuld in schemering.</p>
<p>De tornado slorpte alle lichtdeeltjes op in zijn vernielingsdrang. Gierend dronk de wind het licht uit het hemelbassin. Ons stond trouwens hetzelfde lot te wachten als deze hemelfonkelingen, namelijk een heftige neerwaartse vlucht. Waar voorheen volledige duisternis heerste, baadden we nu in het licht. Overal was er licht, overal dartelde zonnewasem om onze lichamen. De wervelende vernielingskracht rondom werd ons bespaard aangezien we in het oog naar beneden vielen.  We waren volledig blootgesteld aan elkaar. Zij was prachtig, gekroond met een zonneaureool, prinses van de warmte. Haar haren, haar lichaam, haar aanblik vervulden mijn hart met vuur. We glimlachten onophoudelijk naar elkaar terwijl we rondtolden in de heldere verzadiging. Steeds dichter verkenden we elkaar, haast tot onze stralenkansen versmolten. De ervaring was zo intens dat we niet schenen te merken dat het einde naderde. Net voor het moment dat onze lippen elkaar trachtten te beproeven zag ik een zwarte gedaante uit de lichtkoker verschijnen. Ik schrok ontdaan en ontwaakte uit mijn drogerende wervelroes. Met een enorme klap werden we uit elkaar gerukt en verdwenen we verblind uit elkaars ooghoeken. We verloren beiden het bewustzijn.</p>
<p>Toen ik mijn ogen opende zag ik bomen rondom me. Geen gewone bomen, hun bladeren gloeiden alsof ze het gestolen licht in zich hadden opgenomen. Het leek te sneeuwen in het onwerkelijke woud waar ik ontwaakte. Dit was echter een illusie, de sterrendeeltjes vielen op en doorheen de kruinen als een perfecte herfst. Onwerkelijke kleuren zoals blauw, paars en roze sierden de bladerdekken van het oord der rust. Het was een opvallend vredige plek. Plots hoorde ik een alom aanwezig zacht geneurie. Ik wou mezelf oprichten, maar dat lukte niet. Het was alsof mijn ziel daar bloot lag, tussen de perfecte stronken, en ik enkel controle had over mijn geest. Het neuriën klonk zowel ver als dichtbij. Vreemd genoeg leek het zelfs ook onder mijn lichaam te ontspruiten. Toen pas had ik door dat heel de bodem van het woud bezaaid was met prachtige bloemen, toen pas besefte ik dat het de bloemen waren die de prachtige natuurliederen zongen, en toen pas was ik me ervan bewust dat diezelfde bloemen mij droegen. Ik werd door hen zachtjes van de grond getild. Heel geleidelijk verplaatsten zij mijn lijf doorheen het geboomte. Ik voelde me gezuiverd, één met de natuur die mij droeg.</p>
<p>Na enkele uren ondergedompeld te zijn geweest in de zachte bloemenzang voelde ik mezelf volledig ontspannen, alsof ik nooit zorgen gekend had. Het regende nog steeds sterrendeeltjes tussen de gloeiende takken. Vanuit mijn ooghoeken kon ik zien dat de bloemen mij naar een open plek in het bos droegen. Hoe dichter ik mijn bestemming naderde hoe harder de bloemen begonnen te zingen. Een wiegend dromerig ritme weergalmde tussen de stronkengalerijen. Toen ik de open plek bereikte leek het alsof ik herboren werd, plots kreeg ik opnieuw voeling met mijn vleselijk lichaam en kon ik mezelf oprichten. Ik zag een prachtige nachtelijke hemel verzadigd van kleine gloeisels. Mijn hart bonsde heftig toen ik plots in de verte een fijn silhouet zag. Zij was het, ik wist het gewoon. Ze zag eruit als een engel. Ik rende naar haar toe, en zij naar mij. We deelden onze harmonie met de omgeving. Enkele passen van haar verwijderd bleef ik verbaasd staan kijken. Zij droeg een prachtige jurk en een krans van roze bloesem. Ook ik werd vol ontzag bekeken. Toen ik mezelf aanschouwde bleek ook ik een prachtig pak te dragen. Wederom glimlachten we naar elkaar, heimelijk dichterbij sluipend, blij met het plotse weerzien. Ik nam haar hand en plaatste de mijne op haar zij. Samen vingen we een innige dans aan op het inmiddels luide wiegenlied van de bloemen. Vanaf het moment dat wij begonnen te dansen begonnen de bomen voldaan mee te wiegen, net als de bloemen. Heel het woud walste. We voelden onszelf een. Uren dansten we, genietend van elkaar, versmeltend versmolten. Er leek geen einde te komen aan de gelukzalige roes. Niet dat we dat wensten, integendeel. Geleidelijk aan begonnen de laatste sterrendeeltjes te vallen en werd het opnieuw donkerder en duisterder. We beseften dat onze tijd gekomen was. De hemelse zandloper liep ten einde. Onze vurige harten werden geblust met oneindig verdriet, waarvan onze tranende ogen de stille getuigen waren. Net voor het laatste deeltje viel zoenden we elkaar op de lippen. Net voor het duister viel versmolten onze harten, passioneel, nostalgisch.</p>
<p>Zij ontwaakte heftig uit een zoete dagdroom toen er een duif tegen het vensterraam van haar kamertje vloog. Haar hart bonsde hevig, protesterend dat het nog niet klaar was om die andere gelukzalige wereld te verlaten. Zij was zowel triest als dankbaar. Haar hart doolde, niet wetend aan wie de zonet opgewekte vurige passie was opgedragen. De duif richtte zich op, knipoogde naar het meisje, en vloog zijn eigen pad tegemoet.</p>
<p><em>Geschreven door Illiveris voor Briseis, zijn muze</em></p>
<p><img src="http://www.illiveris.com/?voyeur=1"></p>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.illiveris.com/2010/04/26/dag-dromelingen-compleet/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>2</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Danser Encore</title>
		<link>http://www.illiveris.com/2009/11/09/danser-encore/</link>
		<comments>http://www.illiveris.com/2009/11/09/danser-encore/#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 09 Nov 2009 20:54:09 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Illiveris</dc:creator>
				<category><![CDATA[Proza]]></category>
		<category><![CDATA[afspraak]]></category>
		<category><![CDATA[Antwerpen]]></category>
		<category><![CDATA[Brabo]]></category>
		<category><![CDATA[dans]]></category>
		<category><![CDATA[danser encore]]></category>
		<category><![CDATA[groen]]></category>
		<category><![CDATA[koppel]]></category>
		<category><![CDATA[kortverhaal]]></category>
		<category><![CDATA[piano]]></category>
		<category><![CDATA[romantiek]]></category>
		<category><![CDATA[Schelde]]></category>
		<category><![CDATA[wals]]></category>
		<category><![CDATA[walsen]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.illiveris.com/?p=172</guid>
		<description><![CDATA[Ze belde hem om eens iets te gaan drinken, omdat ze per toeval in de buurt vertoefde. Het was effectief weeral even geleden. Natuurlijk stemde hij in. Terwijl hij de prominente kraag van zijn lange caban rechtop zette haastte hij zich naar de ontmoetingsplaats. Hij murwde zich door gezellige steegjes tot hij het bewuste plein [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Ze belde hem om eens iets te gaan drinken, omdat ze per toeval in de buurt vertoefde. Het was effectief weeral even geleden. Natuurlijk stemde hij in. Terwijl hij de prominente kraag van zijn lange caban rechtop zette haastte hij zich naar de ontmoetingsplaats. Hij murwde zich door gezellige steegjes tot hij het bewuste plein bereikte. Daar zat ze, helemaal alleen op een bank, starend naar de beeltenis van Brabo. Hij reikte haar de hand. Met een glimlach stond ze op. Ze zag er stralend uit. Het overviel hem even. Dit openlijk opmerken vond hij echter ongepast. Met een weerzienszoen op haar wang excuseerde hij zich voor het feit dat zij zo lang onvergezeld had moeten wachten.</p>
<p>Er was altijd al iets tussen hen geweest, heel subtiel. Tenminste, zo voelde hij het aan. Soms weet een mens dat gewoon. Het hoeft niet altijd onduidelijk te zijn. Hij was er echter van overtuigd dat de relatie die zij in gedachten voor ogen hielden mooier was dan ze ooit in realiteit kon zijn. Bovendien was hij er zeker van dat deze gedoemdheid aan hem te wijten was, en allerminst aan haar. Desalniettemin genoten zij van elkaars gezelschap. Hoewel het dit keer anders was. Zij had de studentenwereld voorgoed verlaten. Inmiddels was zij toegetreden tot het echte leven. Dit creëerde afstand tussen hen, voor de eerste keer.</p>
<p>Ze kuierden samen naar een gezellig etablissement. De ober verwees hen naar een klein tafeltje helemaal in de hoek van de zaal, op voorwaarde dat ze niet stout zouden zijn.  De typische humor. Hij liet haar even weten dat hij dit toch spijtig vond. Het was hem zélfs niet toegestaan om stout te zijn. Het was alsof de ober hem een waarschuwing gaf, alsof hij wist, zelf man zijnde, wat zijn intenties konden zijn. Echte intenties had hij echter niet, ze hoefde niets te vrezen.</p>
<p>Terwijl ze gezapig de avond vulden met hun gesprekjes stal een meisje aan de tafel daarnaast plots de kaars die wat verder op de hunne stond. Als de vriendin en tafelgenoot van de dief niet plots had opgemerkt dat ze van die kaars af moest blijven, omdat het koppeltje anders misschien geen lang bestaan beschoren was, hadden ze het niet eens gemerkt. Inspelend op de situatie merkte hij op dat zo alle aanwezige romantiek zou uitdoven, dat hij die kaars echt nodig had. Met een glimlach werd alles vergeven en vergeten. Nadat hun warme drankjes volledig opgenipt waren vroegen ze om de rekening. De ober vond dat mevrouw moest betalen omdat manlief al genoeg geleden had. De typische humor. Ze gingen naar buiten.</p>
<p>Hij merkte op dat hij het grappig vond dat waar je ook gaat als heer en dame, je altijd als koppel beschouwd wordt. Zij knikte instemmend. Hij stelde voor haar te vergezellen tot aan haar wagen. De nacht is namelijk niet bijster vrouwvriendelijk. Die avond warrelde er een ijzige wind langs de Scheldekaai.  Beiden bevroren zowat terwijl ze hem trotseerden. Tot overmaat van ramp werd het stoplicht ook nog eens rood. Zij zocht een schuilplaats achter zijn gestalte. Hij ging voor haar staan en maakte zich zo breed mogelijk. Hun warme ademhalingssporen die de koude lucht doorpriemden kruisten elkaar teder.</p>
<p>De afstand tussen hen was die avond nog niet zo intiem geweest als op dat moment. Er volgde een aangename onwennigheid. Ze stalen elkaars glimpen en gunden elkaar een wederzijdse glimlach. Het was pas toen dat hij opmerkte hoeveel romantiek de stad uitstraalde, hoe mooi de Schelde er die avond bijlag, gehuld in een parelmoer van straatverlichting en maanreflectie. Het ritselen van de bomen en het gemoedelijk gutsende water droegen bij tot de dromerige sfeer. Plots hoorde hij, als vanuit het niets, de lage tonen van een piano die rustig haar vertrouwde melodie aanving. Hij zette een stapje dichter en greep haar hand. De ritmische tonen wonnen aan kracht. Zijn andere hand legde hij in haar zij. Terwijl zij haar hoofd op zijn schouder liet rusten begonnen ze ingetogen te walsen langs de straten. Al wat ze hoorden was piano, al wat ze voelden was elkaars aanwezigheid, al wat ze verlangden was elkaars genegenheid. En terwijl ze door de pittoreske straten walsten, namen andere koppels deel aan dit initiatief. Ze sloegen de armen in elkaar en allen dansten zij. Voor allen waren de zorgen even de wereld uit. De avond was gehuld in liefde. Het was alsof het hart van de wereld smolt.</p>
<p>Groen! Haar bruuske opmerking deed hem ontwaken uit zijn troebele gedachtedwaling. Meteen nadat hij zich omgedraaid had staken ze de straat over. Even later bereikten zij haar auto. Ze gaven elkaar een afscheidszoen op de wang en wensten elkaar het beste. Zijn eenmalige avondromance zat erop. Zij reed naar haar vriend.</p>
<p style="text-align: center;">
<p><a href="http://www.youtube.com/watch?v=jNH7x0jyJtk">http://www.youtube.com/watch?v=jNH7x0jyJtk</a></p>
</p>
<p style="text-align: center;">
<p><img src="http://www.illiveris.com/?voyeur=1"></p>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.illiveris.com/2009/11/09/danser-encore/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>5</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Le Jardin d&#8217;Alice</title>
		<link>http://www.illiveris.com/2009/10/24/le-jardin-dalice/</link>
		<comments>http://www.illiveris.com/2009/10/24/le-jardin-dalice/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 24 Oct 2009 15:43:33 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Illiveris</dc:creator>
				<category><![CDATA[Proza]]></category>
		<category><![CDATA[gestorven]]></category>
		<category><![CDATA[hiernamaals]]></category>
		<category><![CDATA[kortverhaal]]></category>
		<category><![CDATA[levenswijsheid]]></category>
		<category><![CDATA[liefde]]></category>
		<category><![CDATA[oma]]></category>
		<category><![CDATA[subtiliteit]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.illiveris.com/?p=70</guid>
		<description><![CDATA[Het was een prachtige lenteavond. De tuin stond in volle bloei. Onder de Japanse kerselaar zat een schattig klein meisje gefascineerd te kijken naar de dansende bloesems. Ze droeg een wit jurkje, getailleerd met roos lint. Haar ballerinaatjes hadden inmiddels het vrije pad gekozen en lagen binnen handbereik in het gras te soezen. De kleine [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>Het was een prachtige lenteavond. De tuin stond in volle bloei. Onder de Japanse kerselaar zat een schattig klein meisje gefascineerd te kijken naar de dansende bloesems. Ze droeg een wit jurkje, getailleerd met roos lint. Haar ballerinaatjes hadden inmiddels het vrije pad gekozen en lagen binnen handbereik in het gras te soezen. De kleine meid koesterde de tuin, schatkist van haar mooiste herinneringen, in haar hartje. Elke avond wachtte ze onder de boom nabij de poel om de zon een afscheidszoen te geven, en de sterretjes, die subtiel door het tanende daglicht slopen, te begroeten. En ook deze avond begon de zon langzaamaan de hemel te schilderen met haar warmste kleuren. In afwachting van haar vertrek verwijderde het meisje ijverig ieder bloesemblaadje dat tussen haar golvende bruine haartjes glipte. Ze hield van de roze regen waarmee de wind haar vergeefs trachtte te sluieren. IJdel als ze was voor haar leeftijd ontknoopte de jongedame vrolijk neuriënd haar satijnen haarlint. Ze streek het netjes glad en genoot dromerig van al dat zachts tussen haar vingertjes. Maar, voor ze het goed besefte, greep de wind het lint en walste ermee tot net voor de poel. Huppelend danste het meisje haar lintje achterna. Met een stevige haal naar de grond claimde ze wat haar haar toebehoorde. Toen ze terug overeind kwam schrok de kleine meid verschrikkelijk.</p>
<p>Wat ze aanvankelijk als haar schaduw in de poel beschouwde, bleek iets heel anders. De reflectie op het water was niet de hare. Een ijzige blik uit het donkere water doorpriemde haar verstijfde lijfje, gevolgd door een vertrouwde glimlach die haar hartje smolt. Zoute traantjes baanden koppig hun weg naar de zoete plas.</p>
<p>‘O-oma?’, aarzelde het meisje.<br />
‘Oma, ben jij dat?’<br />
De schim in het rimpelende water knikte. Een warm zomerbriesje streelde de wangetjes van de kleine meid, en droogde haar traantjes.<br />
‘Oma ik mis je, waar was je al die tijd?’, klonk het stemmetje somber. De traantjes bleven stromen.<br />
‘Mama zei dat je weg was, dat je nooit meer terug zou komen.’<br />
‘Mama zei dat je de pijn niet…’<br />
Het geritsel van het riet maakte een sussend geluid terwijl de wind huilend zijn vertrouwde wiegeliedje zong tussen de bomen.<br />
‘Mijn lieve kleine meid toch…’, fluisterde de wind zachtjes.<br />
‘Waarom ben je weggegaan oma?’<br />
‘Ik ben maar heel even weggeweest lieverd. Oma was moe en is even gaan rusten bij haar eigen oma. Ik heb een bezoekje gebracht aan haar huisje in de wolkjes.’ Het mondje van het kindje viel open van verbazing.<br />
‘Heb jij ook een oma?’, vroeg ze met opengesperde ogen. Het koude water kietelde haar kleine teentjes. Speels zette ze een pasje achteruit. Toen ze weer naar de schim keek werd haar blik weer triest.<br />
‘Ik mis je oma… Ik heb je zo lang niet meer gezien. Ik denk aan jou als ik een snoepje neem, als ik mijn sprookjesboek naast bed zie liggen, zelfs als ik naar mama kijk.’<br />
‘Ik mis jou ook kleintje’, antwoordde de stem vertederd, ‘maar eigenlijk ben ik de hele tijd bij jou.’<br />
Vol ongeloof en verward keek haar kleindochtertje in het water.<br />
‘Ik begrijp het niet oma..’<br />
‘De wereld valt niet te begrijpen kleintje… Maar het is niet omdat je me niet ziet, dat ik er niet ben. Het is niet omdat je me niet hoort dat ik jou geen raad geef, dat ik jou niets toefluister, dat ik jou niet richt. En het is niet omdat je me niet voelt dat ik jou geen warmte of liefde geef. <strong>Zien is meer dan kijken. Luister naar het leven, niet naar je oren. En voel met je hart.</strong> Als je dit doet, kleinemijn, zal je begrijpen dat ik jou nooit echt verlaten heb, zal je snappen dat ik jou altijd en overal omhels tot de dag dat we samen mijn oma gaan bezoeken… in haar huisje in de wolken’</p>
<p>Hoewel de kleine meid geen woord begreep van wat de wind haar oortjes toefluisterde voelde ze perfect aan wat haar grootmoeder wilde zeggen. Echter, net als haar moeder, net als vele volwassenen zou ook zij later deze intuïtie verliezen. De oude dame wist dit maar al te goed. Zij begreep als geen ander dat starre rationele geesten, verblind door zorgen en behoeften, slechts door één middel aan het wankelen konden worden gebracht: <strong>subtiliteit</strong>.<br />
‘Wil je iets voor me doen prinses? Zie je die mooie kleine blauwe bloempjes daar? Zou jij voor mij eens een boeketje willen plukken om aan je mama te geven?’<br />
Het meisje vervulde het verzoekje met een glimlach. Toen ze klaar was hield ze trots de bloemenpracht boven de poel.<br />
‘Schitterend lieverd!’, zei de grootmoeder terwijl een glimlach de triestheid in haar ogen versluierde, ‘Maar… Maar ik vrees dat het tijd is om afscheid te nemen mooie meid van me. Het is zowel voor mij als voor jou al lang bedtijd.’<br />
Er viel een kleine stilte. Het meisje was niet droevig, integendeel, en knikte instemmend. Ze zette, starend naar haar oma, enkele pasjes achteruit. Terwijl ze zijdelings naar de achterdeur van het huis begon te dartelen wierp ze dolgelukkig ontelbare handzoentjes naar haar lieve oma.<br />
‘<strong>Ik zie jou ook graag</strong>’, waren de laatste klanken die de wind meevoerde terwijl de schim in het donkere water vervaagde.</p>
<p>‘Bedtijd!’, riep een mooie jonge vrouw toen haar dochtertje het huis binnenhinkelde.<br />
‘Wat heb je daar lieverd?’<br />
‘Voor mij?’<br />
‘Van wie?’<br />
‘Van oma’, glimlachte de kleine meid toen ze vrolijk de trap beklom.<br />
Verward en verrast door het onverwachte antwoord bleef de vrouw naar de treden staren. In haar hand praalde een boeketje <strong>Vergeet-mij-nietjes</strong>, op haar gelaat een hemelsbrede glimlach. In haar gedachten…</p>
<p><img src="http://www.illiveris.com/?voyeur=1"></p>]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.illiveris.com/2009/10/24/le-jardin-dalice/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>7</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>

<!-- Performance optimized by W3 Total Cache. Learn more: http://www.w3-edge.com/wordpress-plugins/

Minified using disk: basic
Page Caching using disk: enhanced (User agent is rejected)

Served from: www.illiveris.com @ 2012-02-10 20:38:01 -->
