Bronnen der Bezieling
Het moet zich afgespeeld hebben in het aanschijn van de maan, wier vale reflectie mijn slaapkamer vervulde met duistere contouren. De schimmen der dingen kwamen tot leven, in alle rust. Ik weet niet meer of mijn oogleden de slaap verwelkomden of er net tegen vochten. Alles was troebel. Toen de dromerige waas, die mijn zintuigen teisterde, vervaagde kon ik een gestalte onderscheiden in de deuropening, een wezen van de nacht. Mijn lakens rilden van angst. Twee grote glanzende ogen staarden me aan vanuit de duisternis, vol onbegrip. Het was een harig iets van bescheiden grootte, met twee beentjes en evenveel armen. Vier vermoedelijke moordwapens. Het zette enkele pasjes naar voren. Een snuit doorpriemde het maanlicht. Plotseling begon het ding te stuiteren, vergezeld van moeizaam gekreun. Ik schrok mezelf naar de verdoemenis. De haarbal kwam echter niet mijn richting uitgesprongen, hij bleef koppig volharden in een soort beklimming van de muur naast de deur. Klik. Razendsnel gutste een overvloedigheid aan licht uit alle spots die het plafond rijk was. Het licht bracht echter geen verheldering. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Wat ik daar zelfverzekerd zag staan, de armpjes in de zij, was tegelijkertijd enorm vertrouwd, en toch ook weer niet.
“T-Teddy? Teddy ben jij dat?”, aarzelde ik.
“Ik lig al sinds je geboorte iedere dag opnieuw naast jou in bed, en nu ga je me vertellen dat je me plots niet meer herkent?”, snauwde hij, lichtjes op zijn spreekwoordelijke teentjes getrapt.
“N-natuurlijk wel, maar je spreekt, stapt en springt?”
Daarop slaakte de pluizenbol een diepe zucht.
“Knuffeldieren worden in frustrerende mate onderschat. Dat uitgerekend jij dat nu ook blijkt te doen slaat werkelijk alles.”
Het donsbeertje trof na zijn onverwacht eloquente uiting een twintiger aan met opengesperde mond en een verbaasde blik. Vol onbegrip schudde hij zijn zachte hoofdje. Zijn oogjes, die reeds herhaaldelijke cosmetische ingrepen met naald en draad hadden moeten verduren, volgden deze negatieve cadans.
“Weet je, ik heb hier echt geen tijd voor.”, vervolgde hij, “Trouwens, we zijn al laat. Kom nu uit dat bed. We worden verwacht.”
“Maar ik ben helemaal naakt!?”
“En dan, ik toch ook?” Toen de beer na enige stilte doorhad dat dat argument enkel steek hield in de wereld der donzig speelgoed rolde hij met zijn oogjes. Op verveelde toon en met lange lettergreephalen mompelde hij, “Kleed jezelf dan snel aan zodat we hier weg kunnen.”
“Naar waar gaan we dan?”, vroeg ik terwijl ik huppelend worstelde met een jeansbroek.
“Als ik het zelf kon benoemen zou ik het doen, je zal me moeten vertrouwen.”
“Waarom zou ik een knuffel die mij in het midden van de nacht de stuipen op het lijf jaagt door mijn kamer binnen te wandelen en mij aan te spreken vertrouwen in een wereld waarin hij geacht wordt dat niet te doen of kunnen?”
“Als mijn intenties niet eerbaar waren had ik al duizenden kansen gehad om je in je bed te vermoorden of verminken, al moet ik toegeven dat het idee sinds het begin van onze conversatie steeds aanlokkelijker is geworden.”
Er volgde een pijnlijke stilte.
“Alsjeblieft zeg, mogen teddy’s nu ook al geen grapjes meer maken? Humor is de spil van het leven jongen. Waarom zou je me niet vertrouwen? Ik slaap iedere nacht bij jou. Ik ben altijd op je kamer aanwezig, zelfs wanneer het voor anderen strikt verboden terrein is. Er is niemand die jou beter kent dan ik, al wat zich hier afspeelde werd mij toevertrouwd en heb ik gezien.
“Alles?!”, vroeg ik geschrokken. Ik begon spontaan te blozen.
“Alles, Casanova.” Een venijnig grijnsje pronkte onder zijn snuit.
“Jij bent eigenlijk wel een sadistische beer zeg.”
“Ik had een goede leermeester.”, kaatste hij terug. Deze woorden toverden zijn voormalige grijns op mijn eigen lippen. Ik dacht even na en overpeinsde de situatie.
“Goed, aangezien ik je mentor wel denk te vertrouwen ben ik bereid je te volgen.”
“Dat werd tijd.”, glimlachte hij ingetogen.
Volledig aangekleed sloot ik zachtjes de voordeur. Teddy zat op mijn schouder. Toen ik aanstalten maakte om naar mijn auto te wandelen achter het huis trok hij zachtjes aan mijn haar.
“En waar denkt meneer naartoe te willen gaan?”, fluisterde hij in mijn oor, “Ons vervoer heeft geen wielen hoor.”
De beer beval me eens goed te turen naar het beekje dat rond het huis liep. Plots zag ik waar hij op doelde. Een heldere lantaarn doorbrak de donkere horizon met zijn gloed. Toen ik het licht naderde zag ik een houten bootje in het water dobberen.
“Meen je dat nu?”
Een korte snok aan de haren bleek het antwoord, waarop ik in de armzalige sloep plaatsnam. Tot mijn grote verbazing zonk het krot niet. Ik nam spontaan de riemen beet.
“En nu?”
“Roeien!”, stamelde hij terwijl hij met moeite het bankje vooraan beklom. Vervolgens legde hij zich neer in een zo comfortabel mogelijke rustpositie.
“En jij dan?”
“Als er nu één ding is dat teddyberen écht, maar dan ook écht, niet kunnen is het wel roeien.”
“Profiteur.”, klaagde ik toen ik zag dat hij met moeite een grijns kon verbergen. Uiteindelijk bedacht ik me echter dat die halve kilo watten nu ook het verschil niet zou maken.
Ik vroeg mezelf af wat in hemelsnaam de bestemming kon zijn van een nachtelijk ritje op een amper vaarwaardige beek in een schamel vaartuig met een verdacht sarcastische knuffel. Iedere haal van de riemen werkte in ieder geval kalmerend voor de geest, in se was de situatie eigenlijk absoluut niet gevaarlijk. We naderden een rioolbuis.
“Zullen we hier dan maar uitstappen luiwammes?”
“Je hoofd buigen kost minder moeite”, gaapte hij.
“Meen je dat nu echt? Dat is een riool?”
“En ik ben een beer, en jij een zeurpiet.”
Mopperend roeide ik verder. Het was pikdonker, in die mate dat ik een zintuig verloor.
“5”
Het water begon sneller te stromen.
“4”
Het leek alsof de watermassa onder me in ijltempo omvangrijker werd.
“3”
Ik stopte met roeien. Desondanks vaarden we steeds sneller.
“2”
“Teddy, wat gebeurt er, ik zie verontrustend weinig?”, hijgde ik benauwd.
“1”
Ik zette me schrap en deed mijn ogen dicht. Desondanks werd ik verblind. Zulk een hoeveelheid licht bereikte plots onze boot. Het was zo helder dat het pijn deed. Het eerste wat ik opnieuw kon onderscheiden was de sloep. Tot mijn verbazing was het geen krakkemikkige kano meer, maar een sierlijk vaalgrijs vaartuig met een prachtig lichtblauw zeil.
“Wat is er met onze boot gebeurd?”
“Hier gelden nu eenmaal andere wetten…”, glimlachte de beer, turend naar de in mist gehulde rivier die ons droeg.
“Waar is hier?”, vroeg ik toen we plots een hevige schok ontvingen. De boot was vastgelopen op een soort rotsige zandbank. Ik stapte uit, evenals mijn gezel. Pas toen zag ik dat de stroom drie meter verder eindigde. Ik zette voorzichtig enkele stappen voorwaarts en werd vervolgens op slag misselijk van de duizelingwekkende diepte die onder mijn voeten rustte. De stroom maakte echter geen geluid. Ik kon geen gespetter en geplons waarnemen, noch van de brede rivier, noch van de diepe waterval. Integendeel, het was muisstil toen de drukte in mijn hoofd verdween. Ik hoorde niets. Ik voelde niets. Fronsend vol onbegrip keek ik mijn gids aan.
“Hier eindigt mijn tocht.”, zei hij terwijl hij zachtjes tegen mijn been leunde.
“Dus tegenwoordig slachten nachtmerriewezens je niet meer ter plekke af maar leiden ze je via een riool naar een vredige in mist omsluierde waterval om vervolgens zelfmoord te suggereren?”
“Zoiets…”, glimlachte hij.
“Wat is de volgende stap? Ga je op me inpraten of ga je me duwen?”
“Geen van beide, je hebt toch geen keuze meer.”
Het zag er inderdaad naar uit dat springen de enige optie was. De stroming was veel te sterk om een gewaagde oversteek te betrachten, en overleven op een kleine rotsbank was ook geen lang leven beschoren. Al was de diepte duizelingwekkend, ik voelde aan dat een sprong geen einde zou betekenen, dat ik getuige zou zijn van iets wonderlijks beneden. Op zich was het al een zeldzaam gegeven dat ik dat aanvoelde, dat de anders en tot voor kort alomtegenwoordige rationaliteit opvallend afwezig bleef.
“Sluit je ogen en laat alles even varen”, zei hij geruststellend, “verplichtingen, verantwoordingen, bindingen…”
Ik leek te begrijpen wat hij bedoelde, en sloot langzaam mijn ogen. Innerlijke vrede, dat was wat ik voelde. Het mistlandschap omsloot mij op een uitermate rustgevende wijze. Zonder dat de kleine beer nog één woord moest uitbrengen zette ik enkele passen naar achteren, klaar om een aanloop te nemen. Ik begon te lopen, zo hard als ik kon, met de ogen dicht. Toen ik sprong keek ik nog even om. En in de glimp die mij nog restte zag ik mijn kleine vriend een lichaam naar de boot slepen.
Ik viel, al voelde het niet als vallen. Sterker nog, ik voelde niets. Geen zwaartekracht, geen koude, geen bindingen, geen angst. Een spontane glimlach drong zich op. Zomaar. Zelfs het feit dat ik gewaarwerd geen armen en benen meer te bezitten veranderde daar niets aan. Ik was vormeloos. Ik betwijfelde zelfs of ik was.
Plots kwamen er twee grote gedaanten naast me zweven. Het bleken sierlijke zeehonden, veel langer dan ik me zulke dieren meende te herinneren, met een mooie witte huid. Ze maakten een geluid dat door merg en been ging, een soort langgerekte huil. Ik glimlachte naar hen, en zij leken te glimlachen naar mij. Geheel onverwacht naderden ze steeds dichter. Opeens begonnen ze me te likken. Het kietelde. Ik zag hoe ze het hoopje vormeloosheid dat ik was opnieuw vorm trachtten te geven met hun kieteltongen. Gedurende de hele schepping bulderde ik van het lachen. Ik kreeg weer armen, benen. Ik kreeg mijn gedaante terug, in deze wereld. Toen ze klaar waren omhelsden ze me stevig aan weerszijden. Al wat ik nog kon waarnemen was hun witte huid.
Er volgde een stevige plons, al voelde ik niets, beschermd als ik was door de twee dikkerdjes. Toen ik bovenkwam waren mijn hervormers verdwenen. Sterker nog, ik zag zelfs geen waterval meer. Alles was glashelder. De mist was verdwenen. Ik bevond mij in een harmonieus nachtelijk landschap, badend in een kalm azuurblauw meer. Al wat ik aan de horizon waarnam was stilstaand water. Toen ik me omdraaide zag ik in de verte één enkel object de horizon trotseren. Het was een houten poort.
De poort herbergde een andere wereld dan diegene waarin zij zelf rustte. Ik had geen andere keuze. Het was de poort, of watertrappelen. Toen ik het houten ornament wou betreden werd ik, voor ik er ook maar één stap kon binnenzetten, brutaal besprongen door een grommend gevaarte. Met een harde smak belandde ik op de grond. Ik voelde tanden in mijn hals. Bij iedere beweging die ik betrachtte bracht het beest deze dichter bij elkaar. Ik hield snel op met tegenspartelen. Toen ik bedaard was gunde de kolos me wat vrijheid om recht te staan.
Ik schraapte mezelf van de grond en zette angstig enkele pasjes achteruit. Het dier dat me net aangevallen had bleek een wolf te zijn. Een fraaie grote grijzige gedaante met helderblauwe ogen. Zijn houding getuigde van een ongekende trots en statigheid. Het wezen straalde wijsheid uit.
“Ik ben de wachter van de poort. Mijn excuses voor het ongemak. Niemand mag dit heilig hout zomaar betreden.”
“Het spijt me, dat wist ik niet.”
“Dat weet ik. Mijn functie is dan ook voornamelijk in het leven geroepen voor zij die dat wel weten.”
Het werd een beetje vermoeiend dat alle wezens die ik ontmoette in mysteries spraken. Het pijnigde mijn hoofd. Ik kon mezelf slechts een zeer vaag en globaal beeld vormen van waar ik me bevond en wat dat inhield.
“Ik neem aan dat u een genode gast bent”, vervolgde hij, “bijgevolg zal u me moeten toestaan u te bijten.”
Ik schrok. Het recente hachelijke tafereel overdoen was namelijk niet zo’n aantrekkelijke optie. Ik aarzelde. En terwijl ik twijfelde galmde een fragment van wat de beer me gezegd had door mijn hoofd:
“Hier gelden nu eenmaal andere wetten…”
Het werd me duidelijk dat ik werd verwacht. Alles was tot hiertoe gepland. Bovendien leefde ik nog, of iets dergelijks.
“Aangezien alles hier voorbestemd is verleen ik mijn toestemming.”, zei ik angstig.
“Gelieve de ogen te sluiten en u te ontspannen.”
Ik slaagde maar deels in de uitvoering van zijn gebod. Vanaf het moment dat ik de ogen sloot speelde de kersverse herinnering over het betreden van de poort door mijn gedachten. Ik beleefde de angst telkens opnieuw en opnieuw. Ik concentreerde me op mijn hals, slikkend in ijltempo.
“U mag ze weer openen.”, zei de wolf.
Ik schrok door deze plotse woorden aangezien ik iets anders verwacht had. Tot mijn grote verbazing liep er een kleine druppel bloed over mijn rechterpink.
“Mag ik?”
Aarzelend bracht ik mijn hand de hoogte in. De wolf likte mijn pink. Vanaf het moment dat de druppel bloed zijn tong raakte veranderde de wolf. Zijn ogen werden grijzig, zijn vacht wit met een onregelmatig lichtblauw patroon op de rug. Het patroon bestond uit een samenspel van mysterieuze tekens. Tegelijkertijd lichtte de poort op. Ze gloeide.
“De Verdeler heeft zijn taak volbracht. Ik zal jou vanaf nu begeleiden. Mijn naam is Oh-Pahrik. Kom. De tijd is rijp.”
Ik kende die stem. De herinnering eraan bracht rillingen teweeg over heel mijn lichaam. Geen angstrillingen, dat niet, rillingen veroorzaakt door herinneringen uit vervlogen tijden. Ik volgde. Een open plek in een dichtbegroeid herfstig woud, dat was de bestemming van de poort. Het was nacht. De hemel was klaar, evenals de maan. Het gebladerte ritselde rustgevend. Zodra ik deze omgeving in me opnam werd ik overvallen door een gevoel van gelukzaligheid. Ik voelde dat het einddoel dichterbij sloop. De wolf stond voor me. Plots, uit het niets, bracht hij een diep gehuil uit. Het geluid was zo intens dat mijn ogen er glazig van werden. Het werd terug stil, maar ik hoorde iets in de verte. Ik hoorde zelfs meer dan iets. Overal rondom de open plek hoorde ik geritsel. Er renden verschillende gedaanten onze kant uit. We werden beslopen.
Ik zag ogen turen in de duisternis, vele ogen. Toen ik me omdraaide zag ik nog een wolf staan. Toen ik me weer omdraaide stonden er nog twee langs weerszijden van Oh-Pahrik. Op den duur was ik volledig omcirkeld. Blijkbaar werd er een roedel op de been gebracht. Frappant was dat de vacht van alle wolven, ondanks hun verschil in uiterlijk, exact hetzelfde patroon herbergde als dat van mijn begeleider.
“Dames, heren, bloedbroeders, familie. Zoals jullie wellicht geroken hebben is er een entiteit in ons midden, een verzocht verwantschap. Mag ik jullie vragen het oriëntatieritueel uit te voeren om het pad voor deze verloren zoon te effenen.”
Alle wolven gaven een kort blijk van instemming. Vervolgens gingen ze, simultaan, zitten, het hoofd gericht naar de maan. Eén voor één begonnen ze te huilen. Toen heel de cirkel vol overgave huilde begon de grond onder mijn voeten te trillen door een fenomeen boven mijn voeten. Het werd lichter, en lichter. Ze huilden en huilden. Het wolvenkoor benutte al haar kracht. Ik keek naar boven. De maan kwam dichter en dichter, beangstigend naderbij. Nog nooit had ik het hemellichaam zo groot gezien. Plots, naarmate de lichtbal groter werd voor mijn ogen, zag ik een donkere contour verschijnen voor de maan, een duistere pegel. Het was een bergtop. Zodra ik de rotsenpunt opgemerkt had stopte het gehuil. Ik had me zo gefixeerd op de maan dat ik toen pas merkte dat de wolven ondertussen weg waren. De hint was duidelijk.
Zonder aarzelen spoedde ik me naar de voet van de berg. Mentaal bereidde ik me voor op een zware beklimming. Toen ik het woud echter doorkruist had en het landschap zich achter de bomen openbaarde zag ik een trap. Er kronkelden treden, van voet tot top, omhoog. Ik begon eraan, met volle moed, opgewonden en nieuwsgierig. Het duurde een eeuwigheid. Al was het niet onaangenaam. Tijdens de tocht naar boven dacht ik na, over alles. Over mezelf, over de wereld, over het leven. Ik vond het fijn dat er mij een moment gegund werd om na te denken, te reflecteren. Voor ik het goed en wel besefte had ik, verzonken in gedachten, de top bereikt. Ik schrok er zelf een beetje van. De bergkruin vormde een soort hoogplateau. In de verte zag ik een vrouw staan, in een prachtig lang gewaad, de rug naar me toegekeerd.
Deze mysterieuze dame was mijn eindbestemming, ik voelde het. Vergezeld van duizenden vragen benaderde ik haar. Toen ze mijn voetstappen gewaarwerd draaide ze zich om.
Mijn mond viel open. Ik viel op de knieën. Mijn ogen werden glazig. Mijn huid rilde. Mijn lichaam trilde. Ik kreeg geen adem. Ik stond verstijfd. Mijn lippen trachtten een woord te vormen dat ze lange tijd, tot hun grote spijt, niet hadden uitgebracht. Toen mijn lippen in positie waren kreeg ik geen noot uit mijn keel. Ik slikte.
“Oh-oma, ben jij dat echt?”
“Wat is echt in deze wereld jongen? De herinnering aan mij, de fysieke verschijning die ik ooit was? Mijn spieren, mijn botten, mijn karakter?”
Ze glimlachte.
“Wat echt is doet er niet toe… Moest ik mezelf nu aandienen conform met wat jouw wereld als echt definieert zou je jezelf – oh ironie – doodschrikken. Mijn fysieke dagen zijn voorbij m’n jongen, dat weet je best. Moest ik mezelf aandienen zoals de wetenschap, waar je zo in gelooft, dat wil, zou je de hele wereld moeten overtuigen van het feit dat je niet krankzinnig bent. Het gaat hier niet om echtheid, het gaat hier niet om waarheid. Besef dat goed! Het gaat enkel om wat deze ontmoeting met je doet.”
“Ik kan bijgevolg evengoed een product zijn van je verbeelding, een imaginaire inzinking. Ik kan echter ook een manifestatie zijn van dat wat niet meer is, de schim van een bezorgde grootmoeder die haar kleinkind ontmoet op de veiligste der ontmoetingsplaatsen: jouw droomwereld. Daar waar realiteit en irrealiteit met elkaar vermengen, op vele wijzen.”
“Het kan goed zijn dat ik een overgang creëerde om je te laten wennen aan onze irreële ontmoeting, wie zal het zeggen. Je komt namelijk niet iedere dag sprekende dieren tegen. Even plausibel echter is dat je dit alles zelf creëerde. Twijfel kan geen kwaad jongen, het zijn zij die het meest overtuigd zijn van het grote gelijk die het meeste schade berokkenen.”
“Wat is draaglijker? Een wereld zonder enige activiteit na de dood of een wereld waarin het zeer waarschijnlijk is dat de dood een einde betekent, maar waarin hoop en liefde twijfel zaaien, en een transcendentale illusie scheppen of een onbewezen en onbewijsbare hypothese in ere herstellen, en zo, al dan niet terecht, een sprankeltje geluk zaaien in deze kosmische leemte. Besef goed, het gaat enkel om wat deze ontmoeting met je doet. Respecteer eender welk geloof in de mate van het wenselijke en het redelijke, en laat de wetenschap claimen wat haar toekomt.”
“Tot slot, je zal deze boodschap verspreiden op de wijze die jij boven alles verkiest: De kracht van het woord in jou. Het zou echter maar saai zijn moest jij je alles plotsklaps herinneren bij jouw ontwaken, vind je niet?”
Ik beantwoorde haar glimlach en liet haar woorden verder in me sijpelen.
“Ik zal er dan ook voor zorgen dat je alles vergeten bent als je wakker wordt en enkel jouw onderbewustzijn bevolken bij het aanschouwen van een nieuwe ochtendgroet, en zachtjes fluisteren, daar waar enkel jij me kan horen.”
Ze gaf me een kus op het voorhoofd. Ik kon geen woord uitbrengen en luisterde nederig.
Ik werd wakker zoals gewoonlijk. Goed geslapen, uitgerust, klaar om te studeren. In de loop van de dag flakkerde er echter een idee op dat ik al enige tijd koesterde. Nu pas voelde ik een hevige drang om het neer te schijven. Als in een trance schraapte ik een pen van mijn bureau en een onbeschreven boekje dat ik mezelf, toevallig, de dag voordien aangeschaft had. Bedwelmd door gedachten begon ik te schrijven, onstopbaar, onstuitbaar. De woorden vloeiden gretig uit mijn pen. Ik begrijp nog steeds niet hoe dit kon, met zulke intensiteit en ongereptheid. Inspiratie, denk ik.




De Dialoog