Get Adobe Flash player

liefde

Dag Dromelingen (compleet)

Daar zat ik dan, aan mijn bureau. De uren slopen heimelijk voorbij. Het duurde even voor ik doorhad dat buiten de eerste vlokken neerdwarrelden. Ondanks het feit dat het feeërieke fenomeen mij doorgaans wel wist te bekoren, was dat deze keer niet het geval. Mijn hoofd zat vol termen, definities en belangrijke data, er was gewoonweg geen plaats voor sneeuw.  Een poging om met een diepe zucht het raam voor mijn neus te bewasemen draaide ook op niets uit. Ik probeerde niet naar mijn bureaublad te turen. Ik was er namelijk van overtuigd dat de syllabus die onder mijn handpalmen rustte mij flagrant aan het uitlachen was in de wetenschap dat ik hem niet zomaar uit het raam kon slingeren. Daar had ik nochtans zin in, veel zin. Ik zag een prachtige Olympische worp voor ogen, net voorbij de boom op het plein. Toen pas viel het mij op hoe rustig het buiten was, hoe maagdelijk wit het landschap. Zelfs de boom had  een winterjas gekregen. De duif op één van zijn takken echter niet. Net toen ik medelijden kreeg met het diertje leek hij, of zij, naar mij te knipogen.

Er verscheen even een glimlach op mijn gezicht terwijl ik mezelf een levendige verbeelding toewees. Het weer werkte hypnotiserend. Net toen ik bijna wegdoezelde leek de duif wel naar mij te wuiven. Sterker nog, het leek zelfs of het vogeltje met zijn vleugel gebaarde het te vergezellen op de tak. Gelukkig was ik nog voldoende bij bewustzijn om het vermoeden te koesteren dat ik ijlde. Het mocht echter niet baten. Even later begon zelfs de boom mij aan te manen om naar buiten te komen. Mijn mond viel open. Mijn hersenen lachten mijn ogen vierkant uit. Ze konden het echter niet helpen, ze zagen wat ze zagen.

Veel tijd voor verwondering was er niet. Plots zwaaide de boom één van zijn grootste takken in mijn richting. De stronk penetreerde mijn ruit, nam me vast, en sleurde mij meedogenloos mee naar buiten. Daar hing ik dan, ter hoogte van de duif. “Even pauze kanjer, je hebt het verdiend.” Dit was werkelijk de druppel: een sprekende duif. Ik wou een conversatie beginnen met de vogel, mentaal was ik die dag blijkbaar toch al labiel, maar ik voelde dat de boom zijn krachten bundelde om de zwaartekracht te tarten. En dat deed hij ook. Voor ik ook maar één woord kon uitbrengen lanceerde de kolos mij het luchtruim in.

Terwijl ik naar boven vloog, de ziel uit mijn lijf krijsend als een klein meisje, zag ik enkel sneeuw. Zelfs de betonnen klinkers  van het plein, die ik dadelijk van wel heel dichtbij zou waarnemen en voelen, waren aan mijn oog ontstolen. De zwaartekracht begon aan mij te trekken. Wat initieel een opwaartse beweging was, bleef dat niet. Net voor ik aan een helse duikvlucht begon, en tevens aan de omzetting van mijn doodsangsten in decibels, hoorde ik zeer luid gehinnik en geproest. Een zwarte gevleugelde gedaante scheerde door het sneeuwgordijn en ving me op. Ik klampte mij stevig vast aan wat de rug van een hengst bleek te zijn, een prachtig ros.

Met enkele gracieuze vleugelslagen zette hij standvastig koers in de witte oneindigheid. Zijn vastberadenheid temperde mijn eigen angst. Het klinkt misschien bizar, maar dankzij hem vond ik rust in die storm, in die mate zelfs dat ik geleidelijk indommelde, stilletjes verlangend dat het moment zou blijven duren. Mijn oogleden hadden nog geen seconde rust genoten toen het paard zich liet vallen, zijn vleugels beschermend boven mij gericht. Ik was zodanig geschrokken dat mijn hart het tikken niet meer kon bijhouden. Al wat ik waarnam in de gevederde cocon was het suizen van de wind, vergezeld van hevige donderslagen.

Toen het paard zijn veren weer spreidde en zich liet meevoeren door een luchtstroom  was er geen sneeuw meer te bekennen. Sterker nog, ik zag al wat de horizon te bieden had. Met open mond aanschouwde ik oceaan, zo ver het oog reikte. Slechts één obstakel doorpriemde het woeste water, één gigantische berg tartte de oceaan met een kruin die zelfs de wolken achter zich liet. Nooit eerder zag ik zo’n donkere dramatische hemel. Ik was getuige van een machtig fenomeen. De wolken maanden de wind, donderend met hun bliksemse zwepen,  aan de golven zulke grootte en vaart te geven dat ze met alle geweld tegen de berg zouden slaan. En de golven gehoorzaamden, als rollende reuzen ramden ze zijn rotsenvoet. Mijlenver waren de klappen te horen.

Met stijgende omwentelingen beklommen we de berg. Dat ik het niet zo zag zitten om de grijze wolken die hem kroonden te verkennen leek mijn metgezel niet te deren. Wederom werd mijn zicht ontnomen. Blind tussen al dat wolkengruis kreeg ik de illusie dat ik instrumenten hoorde. Strijkers, blazers, percussie, noem maar op. Hoe hoger, hoe luider. De muziek gaf de situatie perfect weer: dramatisch, zwaar, dolend in oneindigheid… Net daarom klasseerde ik dit gegeven weer als een product van mijn eigen krankzinnigheid. Dat de muziek adequaat was nam ik angstvallig als bewijs dat ik toch niet volledig gek geworden was. Toch niet volledig.

Plots doorpriemde het paard het wolkenwit d               at plaats ruimde voor hemels blauw. De berg bleek een vulkaan te zijn, die een gigantische rotsprop in zijn krater droeg. Terwijl we rond deze prop vlogen zag ik hoe het beuken van de golven de druk in de vulkaan deed stijgen. Er ontstonden spelonken waar in alle hevigheid lava uitgutste. Het schouwspel werd heviger en heviger. Het ging er zo intens en dreigend aan toe, dat ik hoopte dat het ros het gebeuren spoedig achter zich zou laten. Toen we de schaduwzijde van de prop verlieten werd ik verblind door helse zonnestralen en verdoofd door sterke geluiden. De muziek werd zo luid dat ik dadelijk mijn hand boven mijn ogen hield om beter te kunnen turen. Wat ik toen zag deed mijn mond openvallen van verbazing.

Paleizen. Ik zag zwevende paleizen. Trotse burchten gevestigd op de wolken, rustig drijvend op de wind. Prachtige hemelse kolossen waren het. De slotgrachten, die hun omwallingen omgaven, regenden van de wolkenranden af, de dieperik in. Ieder paleis, opgetrokken uit wit marmer en versierd met talloze kleurrijke vaandels, was verbonden met de anderen via regenbogen. Overal zag ik mensen aan de glasheldere horizon. Wat zeg ik, mensen, ze vlogen door het luchtruim als ware engelen. Ze beschikten over gevederde vleugelparen. Ieder van hen droeg ook een instrument bij zich. Tussen de kantelen van de burchten verschenen mensen, en ze vulden ook glimlachend de binnenpleinen en de ramen van de immense torens. Iedereen zong uit volle borst en bespeelde met heel hun ziel datgene wat ze bij zich droegen. Elke stem en elke hand leek bij te dragen aan de eensluidende meeslepende melodie die ik reeds vaag tussen het wolkengruis gehoord had. De zware percussie gaf de maat aan, terwijl de strijkers en blazers steeds feller afstevenden op een harmonieuze climax . Het oneindige orkest leek perfect mijn dramatische vlucht in noten te weerspiegelen en te weergalmen. Al deze mensen leken mij te verwachten. Sterker nog, het leek zelfs of ik het middelpunt van de belangstelling was, of ze dit alles voor mij deden. Terwijl ik tussen al dit moois zweefde kreeg ik waterige ogen en een week gemoed. De muzikale onderdompeling doordrong mijn lichaam met een gevoel van gelukzaligheid en ontzag. De spontane glimlach die zij op mijn gelaat toverden leek vastberaden en voor altijd te willen blijven. Ze wisten de gevoeligste snaar van mijn wezen te raken, mijn hart.

Waar ík niet wist waar eerst te kijken en te genieten, wist mijn gevleugelde vriend dat des te beter. Onverschrokken vloog hij zijn voorgestempelde route tussen de hemelse paleizengalerijen.  Toen ik mezelf oprichtte om boven zijn hoofd de horizon af te speuren naar enige doelbestemming zag ik dat er een gedaante met hevige vaart naar ons toe gevlogen kwam. Ik herkende de bewegingen waarmee de verschijning het hemelruim doorkliefde. Het was namelijk een ander gevleugeld ros, met als enige verschil dat het naderende dier een prachtig witte vacht herbergde. Tot mijn grote verbazing vervoerde deze schimmel ook een persoon. Ik zag haar lange haren dansen in de wind, het was een meisje. Met even verbaasde en waterige ogen als ik maakten we naderend oogcontact.

In een roes van verwondering glimlachten we naar elkaar. Ons treffen kon niet toevallig zijn. De hele horizon was op ons afgestemd, alle blikken waren op ons gericht. De intentie van de hemel bleek ons samenzijn. Toen pas besefte ik dit ten volle, en zij blijkbaar ook. Een gedeelde gelukzaligheid bracht ons ertoe onze angsten en zorgen achter ons te laten, onszelf op te richten,  en rechtop te staan. Het druiste in tegen alle logica, maar toch deden we het, gewoon omdat het kon. In volle vaart stonden we recht op de rug van onze nobele hemelbestormers en strekten we glimlachend onze armen. Toen we langs elkaar scheerden greep ik haar handen, en zij de mijne. Net op dat moment hoorden we beiden twee oorverdovende knallen achter ons. Het klonk alsof de wereld verging, alsof het einde naderde. We werden van onze paarden gerukt en tolden rond in het hemelruim, onzeker turend in elkaars ogen. Boven onze tollende hoofden zagen we twee gigantische rotsproppen naar de zon razen. Onze paarden raakten uit koers en begonnen eveneens rond te cirkelen. Hun vaart was zo intens dat er een windhoos ontstond. We bevonden ons in het oog. De proppen troffen de zon in volle vaart waarop zo’n hevige explosie volgde dat iedere cel in onze lichamen trilde.

Na de enorme knal was het eerst donker, verblindend donker. De duisternis heerste zodanig dat ze onze harten vulde met angst. Zwevend in zwart vertrouwden onze handen op elkaar. Ik was blij dat ik haar bij me had, dat ik niet alleen was. Ondanks het feit dat we de wind voelden en hoorden tieren, leek het even of de tijd stil bleef staan. Toen ik naar boven keek was de zon weg. Eén van de grootste zekerheden die mijn wereld sinds mensenheugenis had gekend was uiteengereten. Toch zag ik licht in de verte. Het kwam steeds dichter en dichter. Plots was het overal, alom aanwezig. Het regende sterrenstof. Een prachtig gouden neerslag vulde het heelal, omhelsde ons in het duister. Dankzij het nieuwe warme licht zag ik haar stralende glimlach, haar mooie fonkelende ogen, de zonnedeeltjes weerspiegelend. Ik wou dat het moment bleef duren, voor eeuwig, kijkend in haar ziel, badend in sterrenzweem. De tijd liet mijn wens echter koud, want het werd geleidelijk aan opnieuw duister. Al wat ik wou zien werd opnieuw gehuld in schemering.

De tornado slorpte alle lichtdeeltjes op in zijn vernielingsdrang. Gierend dronk de wind het licht uit het hemelbassin. Ons stond trouwens hetzelfde lot te wachten als deze hemelfonkelingen, namelijk een heftige neerwaartse vlucht. Waar voorheen volledige duisternis heerste, baadden we nu in het licht. Overal was er licht, overal dartelde zonnewasem om onze lichamen. De wervelende vernielingskracht rondom werd ons bespaard aangezien we in het oog naar beneden vielen.  We waren volledig blootgesteld aan elkaar. Zij was prachtig, gekroond met een zonneaureool, prinses van de warmte. Haar haren, haar lichaam, haar aanblik vervulden mijn hart met vuur. We glimlachten onophoudelijk naar elkaar terwijl we rondtolden in de heldere verzadiging. Steeds dichter verkenden we elkaar, haast tot onze stralenkansen versmolten. De ervaring was zo intens dat we niet schenen te merken dat het einde naderde. Net voor het moment dat onze lippen elkaar trachtten te beproeven zag ik een zwarte gedaante uit de lichtkoker verschijnen. Ik schrok ontdaan en ontwaakte uit mijn drogerende wervelroes. Met een enorme klap werden we uit elkaar gerukt en verdwenen we verblind uit elkaars ooghoeken. We verloren beiden het bewustzijn.

Toen ik mijn ogen opende zag ik bomen rondom me. Geen gewone bomen, hun bladeren gloeiden alsof ze het gestolen licht in zich hadden opgenomen. Het leek te sneeuwen in het onwerkelijke woud waar ik ontwaakte. Dit was echter een illusie, de sterrendeeltjes vielen op en doorheen de kruinen als een perfecte herfst. Onwerkelijke kleuren zoals blauw, paars en roze sierden de bladerdekken van het oord der rust. Het was een opvallend vredige plek. Plots hoorde ik een alom aanwezig zacht geneurie. Ik wou mezelf oprichten, maar dat lukte niet. Het was alsof mijn ziel daar bloot lag, tussen de perfecte stronken, en ik enkel controle had over mijn geest. Het neuriën klonk zowel ver als dichtbij. Vreemd genoeg leek het zelfs ook onder mijn lichaam te ontspruiten. Toen pas had ik door dat heel de bodem van het woud bezaaid was met prachtige bloemen, toen pas besefte ik dat het de bloemen waren die de prachtige natuurliederen zongen, en toen pas was ik me ervan bewust dat diezelfde bloemen mij droegen. Ik werd door hen zachtjes van de grond getild. Heel geleidelijk verplaatsten zij mijn lijf doorheen het geboomte. Ik voelde me gezuiverd, één met de natuur die mij droeg.

Na enkele uren ondergedompeld te zijn geweest in de zachte bloemenzang voelde ik mezelf volledig ontspannen, alsof ik nooit zorgen gekend had. Het regende nog steeds sterrendeeltjes tussen de gloeiende takken. Vanuit mijn ooghoeken kon ik zien dat de bloemen mij naar een open plek in het bos droegen. Hoe dichter ik mijn bestemming naderde hoe harder de bloemen begonnen te zingen. Een wiegend dromerig ritme weergalmde tussen de stronkengalerijen. Toen ik de open plek bereikte leek het alsof ik herboren werd, plots kreeg ik opnieuw voeling met mijn vleselijk lichaam en kon ik mezelf oprichten. Ik zag een prachtige nachtelijke hemel verzadigd van kleine gloeisels. Mijn hart bonsde heftig toen ik plots in de verte een fijn silhouet zag. Zij was het, ik wist het gewoon. Ze zag eruit als een engel. Ik rende naar haar toe, en zij naar mij. We deelden onze harmonie met de omgeving. Enkele passen van haar verwijderd bleef ik verbaasd staan kijken. Zij droeg een prachtige jurk en een krans van roze bloesem. Ook ik werd vol ontzag bekeken. Toen ik mezelf aanschouwde bleek ook ik een prachtig pak te dragen. Wederom glimlachten we naar elkaar, heimelijk dichterbij sluipend, blij met het plotse weerzien. Ik nam haar hand en plaatste de mijne op haar zij. Samen vingen we een innige dans aan op het inmiddels luide wiegenlied van de bloemen. Vanaf het moment dat wij begonnen te dansen begonnen de bomen voldaan mee te wiegen, net als de bloemen. Heel het woud walste. We voelden onszelf een. Uren dansten we, genietend van elkaar, versmeltend versmolten. Er leek geen einde te komen aan de gelukzalige roes. Niet dat we dat wensten, integendeel. Geleidelijk aan begonnen de laatste sterrendeeltjes te vallen en werd het opnieuw donkerder en duisterder. We beseften dat onze tijd gekomen was. De hemelse zandloper liep ten einde. Onze vurige harten werden geblust met oneindig verdriet, waarvan onze tranende ogen de stille getuigen waren. Net voor het laatste deeltje viel zoenden we elkaar op de lippen. Net voor het duister viel versmolten onze harten, passioneel, nostalgisch.

Zij ontwaakte heftig uit een zoete dagdroom toen er een duif tegen het vensterraam van haar kamertje vloog. Haar hart bonsde hevig, protesterend dat het nog niet klaar was om die andere gelukzalige wereld te verlaten. Zij was zowel triest als dankbaar. Haar hart doolde, niet wetend aan wie de zonet opgewekte vurige passie was opgedragen. De duif richtte zich op, knipoogde naar het meisje, en vloog zijn eigen pad tegemoet.

Geschreven door Illiveris voor Briseis, zijn muze