Posts Tagged ‘Siegfried’
De Voorlopige Vrede van Volkswagen
Ik ben terug op de plek die ik enige tijd geleden uitkoos als nieuwe veilige haven, toen ik mij op alle vlakken ontheemd waande. Ondanks de volle terrassen voor mijn neus en het gezapige gezoem dat deze mensenkluwens voortbrengen is mijn kot een oord van rust. Fysieke mobiliteit wordt hier beperkt ten voordele van intellectuele.
Hoe rustig het hier ook moge zijn, het thuisfront kent nog steeds zijn woelige periodes in de nasleep van de echtscheiding. Eigenlijk is het verbazingwekkend hoeveel drama er uit enkele mensenlevens te persen valt. Persoonlijk dacht ik dat we nu eindelijk voldoende leed en tranen uit de situatie geperst hadden, maar blijkbaar gaan we echt voor volledige droogte.
Zo leek het althans eerst niet. Gunstige boodschappen bereikten mijn kot de laatste tijd. Mijn vader had samen met mijn moeder de dialoog opgezocht. Hij contacteerde haar in verband met de omstreden Volkswagen. Zijn moeder, mijn grootmoeder, had namelijk op de beeldbuis vernomen dat de situatie zoals ze nu was, met mijn vader als bezitter van de wagen en de kinderen als daadwerkelijke bestuurders, wel eens zeer ongunstig voor hem kon uitdraaien in geval van ongeval. Hoewel het wederom mijn grootmoeder sierde dat zij eerder aan de financiële nadelige gevolgen voor mijn vader dacht dan aan de consequenties qua levenskwaliteit voor de inzittenden, draaide de situatie voor deze laatsten toch gunstig uit. Mijn grootmoeder adviseerde namelijk de auto te verkopen. Bijgevolg besloot mijn vader de Volkswagen te verkopen aan mijn moeder voor het profijtelijke bedrag van €0. Het ondertekenen van de nodige verbintenissen ging gepaard met een redelijk vlotte babbel en zo werd ‘De vrede van Volkswagen’ bestendigd, al zou deze van zeer korte duur blijken.
Verder onderwerp aan de onderhandelingstafel was het feit dat de sms’en die hij naar zijn zonen had gezonden zeer koel werden onthaald. De jongste moest namelijk zeer grondig zijn agenda doorzoeken om nog een vleugje tijd te vinden voor zijn vader, en bij de oudste was er zelfs geen sprake meer van afspreken zolang oude spoken niet werden verjaagd. Hij had het dan maar opgegeven. Dit laatste wekte gemengde gevoelens op. Aan de ene kant koesterde ik de vurige wens met rust gelaten te worden door de vrek die ons gedurende zijn penopauze het leven zo zuur had gemaakt. Aan de andere kant, echter, vroeg ik mij af of het verleden, waar hij eerder schijnbaar zo naar hunkerde, hem nu zo weinig waard was geworden dat hij er nog slechts één enkele sms-sessie aan kon besteden. Het zij zo.
Symbolisch was ook het feit dat hij de sleutels van zijn zonen terugvroeg. Niet zozeer omdat ze niet meer welkom waren, ze mochten deze altijd terug komen vragen, maar omdat een extra huissleutel geen overbodige luxe is. Zonder tegenstribbelen werd zijn verzoek ingewilligd. Een trieste maar rustige wapenstilstand.
Lang heeft het echter niet mogen duren. Enkele dagen later besloot een oude kennis, een vaste klant in het voormalige restaurant van mijn ouders en voorzitter van een niet nader bepaalde blauwe partij in Lier, zichzelf namelijk op een wel zeer merkwaardige wijze persona non grata te verklaren.
Het was een zachte zomeravond en het gezellige terras van het restaurant, nu in het bezit van nieuwbakken eigenaars Siegfried en Roy, was zoals gewoonlijk bezaaid met klanten, waaronder ook de voorvermelde kennis, Louis genaamd.
Plots stelde Louis Roy de vreemde vraag wat er zou gebeuren als hij mijn vader en zijn partner zou uitnodigen om bij hem aan tafel te komen zitten. Roy antwoordde dat beiden absoluut niet meer welkom waren na al wat er gebeurd was.
Wat er allemaal gebeurd is vraagt u?
Zoals u weet, of niet weet, heeft mijn vader mijn moeder negen jaar bedrogen met An. Mijn ouders hebben bijna negentien jaar samen een restaurant uitgebaat. Ook An werkte bijna een decennia in dit restaurant als vaste waarde. Ze was tevens de beste vriendin van mijn moeder. Ettelijke uren hebben ze samen gewerkt, ettelijke uren heeft zij haar vertrouwen geschonden. Mijn moeder was niet de enige wiens vertrouwen geschonden werd, uiteindelijk werd heel de ploeg voor de gek gehouden. Siegfried groeide als chef ook uit tot een vaste waarde, net als Roy, die zich ontpopte tot een uitstekende ober. Beiden zijn zeer goede vrienden van mij en mijn moeder geworden. Aangezien veel van het drama zich afspeelde in de nabijheid van de werkvloer en we slechts enkele meters tegenover het restaurant wonen hebben ook zij de situatie zeer diepgaand ervaren. Ze waren onvoorwaardelijke steun en toeverlaat toen mijn moeder gebukt ging onder haar verdriet en mijn vader zijn ego niet onder controle had.
Het nieuws betreffende de overspeligheid werd onthuld gedurende de periode dat Siegfried en Roy het restaurant overnamen. An heeft zelfs nog enkele maanden voor hen gewerkt, gedurende haar opzegtermijn, terwijl iedereen wist wat ze gedaan had. Ze gaf geen kick. Iedereen verachtte haar, maar zij bleef gewoon doorwerken alsof er nooit iets gebeurd was. Gedurende heel die periode bleef mijn vader haar ook beschermen. Ik weet nog goed dat zij toen taart had meegebracht voor haar verjaardag, een personeelstraditie. Uiteraard aten ik en mijn moeder niet van haar verachtelijke bananentaart, die tevens mijn vaders lievelingstaart was. Hij was razend toen hij dat te weten kwam, het arme meisje.
Mijn vader had de nieuwe uitbaters trouwens beloofd dat hij hen zou begeleiden tot ze op hun eigen benen konden staan en de zaak alleen draaiende konden houden. Toen puntje bij paaltje kwam stemde dit echter niet overeen met zijn feitelijke agenda. Hij was er namelijk op gebrand zo snel mogelijk de vier appartementen die hij over het restaurant had gebouwd, onze nieuwe woonst, te vervolledigen. Toen ze hem het meest nodig hadden, liet hij hen stikken uit eigenbelang. Dat werd hem dan ook kwalijk genomen, samen met vele andere drama’s die deze periode zwart kleurden. Hij was niet meer welkom.
Mijn vader had Siegfried enige tijd na deze gebeurtenissen al wel eens subtiel in een nostalgische bui verzocht of hij niet, samen met An, terug mocht komen eten in het restaurant. Ik hoef u niet te wijzen op de absurditeit van deze verwerpelijke bede. Het antwoord was dan ook negatief. Bijgevolg waren dus zowel Louis als mijn vader ingelicht over wie nog welkom was en vooral wie niet.
Toen brak het moment aan dat mijn vader thuiskwam. Louis zag hem en groette hem, vriendelijk gebarend. Mijn vader benaderde Louis’ tafel en werd uitgenodigd erbij te komen zitten. U hoort het goed, hij werd enkele momenten nadat Roy erop gewezen had dat hij niet welkom was uitgenodigd door Louis om zijn tafel te vervoegen. De keuken, waar zowel mijn moeder als Siegfried aan het werk waren, werd op de hoogte gesteld. De gemoederen raakten verhit.
Hoe schandelijk de daad van Louis ook was, hoeveel er in het verleden ook gebeurd was, er kon nog net voldoende respect opgebracht worden voor de man die bijna twintig jaar eigenaar was geweest om hem niet te verzoeken het terras te verlaten, nog net. Een scène maken was uiteraard ook niet zo gunstig voor het imago van de zaak.
Tot overmaat van ramp kwam An toen thuis van haar werk. Mijn vader zag haar en ging haar even begroeten aan de overkant. Blijkbaar trachtte hij haar daarna te overtuigen om mee aan die ene terrastafel te gaan zitten. In eerste instantie schudde ze haar hoofd. In tegenstelling tot wat ik aanvankelijk dacht kent ze blijkbaar toch één emotie: angst. Gelukkig. Mijn vader bleef echter aandringen. Met lede ogen zag zowel het keuken- als zaalteam aan hoe zij de straat overstak en Louis begroette. Roy was net aan die tafel wijn aan het uitschenken terwijl hij plots een stem hoorde waar hij van walgde:
“Dag Roy.”
Ze werd flagrant genegeerd. Alsof er nooit iets gebeurd was had zij het lef Roy te begroeten. Gelukkig speelde wederom de enige emotie die ze nog kende haar parten. Ze durfde niet aan die tafel te gaan zitten. Ze werd dan ook nauwkeurig in de gaten gehouden, door iedereen. In de keuken werden zowel messen als tongen geslepen, in allerijl werd hun woede bedwongen. Indien zij haar achtersteven op een stoel had geplant zou de hel losgebroken zijn. Mijn vader vervoegde haar daarna dan maar naar huis.
Wat bezielde Louis? Hoe haalde hij het in zijn hoofd? Hoe kan een mens zo’n slecht karakter bezitten? Hoeveel krankzinnigen is deze wereld eigenlijk rijk?
Normaal begroet hij na zijn maaltijd de keuken altijd nog even voor zijn vertrek, dat deed hij deze keer echter niet. Men zou hem dan ook levend gevild hebben. Ook hij is uiteraard niet meer welkom, de buitenstaander die wellicht al vele stenen heeft doen vechten en nu ook de ‘Vrede van Volkswagen’ verbrak.
De Soap Zonder Einde
Waar het hart vol van is, loopt de mond van over, ook in negatieve zin. De dagen schrijden voort onder een zinderend hemelsblauw. Mijn drama’s ebben weg in zonovergoten vergetelheid. Het isolement dat ik tijdens de stille oorlog die ik recentelijk voerde onderging, werd opgeheven met de thuiskomst van mijn goede vrienden en overburen Siegfried en Roy. Ook zij waren, net als mijn moeder en broer, op reis toen oude wrevel wederom incarneerde in een conflictsituatie, al was het een stille. Nog voor ik hen kon spreken werden zij op de hoogte gesteld van de narigheid die mij te beurt was gevallen. Nog voor ik hen een bezoekje kon brengen werd mijn vaders verkeerde keuze wat vertrouwelingen betreft bevestigd. Van zodra de vakantiegangers één stap terug in hun huis waagden, stond Hubert, tegen wie mijn vader uitvoerig zijn verhaal uiteengezet had, voor hun deur. Met zich bracht hij de laatste nieuwtjes. Zijn waarheid verrijkte de mijne, zijn achterklap voedde mijn vraagtekens tweeërlei, verhelderend en verwarrend.
Het was verhelderend in die zin dat mijn vader helemaal niet aanbelde om de auto te lenen, en verwarrend omdat de echte reden werkelijk mijn studieresultaat bleek te zijn. Zo had Siegfried het toch begrepen. En dat snapte ik niet, allerminst. Ik sta nog steeds sceptisch tegenover die verklaring van zijn intenties, maar ik beschouw ze als een mogelijkheid in een verwoede poging mijn vaderfiguur niet geheel te demoniseren, een angst die ik vaak koester. Ik voel u denken. Op zich is er inderdaad niets mis met een vader die toch enige bezorgdheid aan de dag legt voor de studies van zijn zoon. Geïsoleerd beschouwd is dit een goede poging om de banden terug aan te halen, akkoord. Jammer genoeg is dat nu net het probleem, aangezien de feiten voor mij al lang niet meer losstaand beschouwd kunnen worden. Mijn reacties spruiten voort uit een complex kluwen van pijnlijke herinneringen en ervaringen, en dat was niet anders die laatste keer dat ik de deur voor hem gesloten hield. Begrijpt u mij niet verkeerd, ik ben helemaal niet vies van verzoening, integendeel.
Wat verzoening in de weg stond was een kloof, een zeer diepe gapende kloof. De leemte tussen het moment dat hij tijdens een klinkende ruzie zijn oudste zoon overviel met verwijten en daarbij materiële dreigementen niet schuwde, en het moment dat hij, alsof er nooit iets gebeurd was, kwam aanbellen, laat ons zeggen onder het welbedoelde voorwendsel om mijn studieresultaten te weten te komen. Hij had tussentijds geen brug gebouwd of zelfs trachten te bouwen. Ik had niets meer van hem gehoord, en daardoor viel hij logischerwijs in de gaping die hij zelf gecreëerd had. Ik persoonlijk tracht iets op te rapen telkens ik val, maar dat blijkt een autonoom geleerde les te zijn, geen genetisch ingebouwde wijsheid.
Al waren zijn intenties in het beste geval eerbaar, ondanks zijn falen als bruggenbouwer, zijn vermogen om zich constructief op te stellen bleef en bleek onveranderd onhebbelijk. Dat is geen gis. Waarom zou ik anders het vermoeden gekoesterd hebben dat hij mijn auto kwam lenen terwijl hij eigenlijk voor mijn studieresultaten kwam? Ziet u de kink in de kabel? Inderdaad, mijn vader had de wagen helemaal niet nodig. Het verslag van Hubert wierp een heel nieuw licht op de zaak.
Mijn vader had namelijk aangebeld, wetende dat ik thuis was aangezien ieder raam dat het huis ook maar telde geopend was en iedere overige ziel op reis was, maar bleef voor een gesloten deur staan. Hij belde nogmaals, en nogmaals, en nogmaals. Iedere druk op de knop bracht hem dichter bij het besef dat de deur wellicht niet geopend zou worden, iedere dreun op de bel wakkerde zijn woede aan. Naar het schijnt moet hij razend geweest zijn. Tijdens zijn furieuze opwelling kon hij niets beters verzinnen dan het meenemen, om niet te zeggen plunderen, van de Volkswagen. Hij plaatste het arme vehikel achter zijn eigen poort. Om te voorkomen dat ik de wagen heimelijk zou komen terugroven, aangezien ik de combinatie van zijn poort herinner uit betere tijden, blokkeerde hij deze dan maar met zijn eigen wagen, bij wijze van voorzorg.
Ik was werkelijk verheugd toen ik dit laatste wapenfeit te weten kwam. In samenspel met mijn vader had ik een middel gevonden om de wereldvrede te bewerkstelligen. De wijze les die wij de wereld konden bijbrengen was: Steel in geval van conflict de wagen van de tegenpartij zodat dialoog te allen tijde geschuwd kan worden en wacht op een deus ex machina. Vergeef me mijn sarcasme, ik was uiteraard voor de zoveelste keer in mijn geschiedenis ontdaan. Ik dacht destijds dat hij gewoon kwam vragen of hij de auto even mocht lenen. Weer een illusie armer en een materieel dreigement rijker. Voor zo’n man open ik de deur niet, met of zonder auto.
Na enkele uren scheen ook hij tot dat besef te komen. Als bij wonder werd de auto teruggeplaatst, weliswaar met een pittige boodschap tussen de portieren:
“Aangezien ge het vertikt om open te doen, steek mijn sleutel maar in mijn brievenbus, want die heb je blijkbaar niet meer nodig. Ik verwacht op zijn minst uw uitslag, zoniet stopt de sponsoring. Je papa”
Zijn ongeduld werd beantwoord met mijn onbewuste koppigheid. In manipulatieve situaties bleek hij geen lang uithoudingsvermogen te bezitten. Hij had dit doorheen de jaren ook niet moeten opbouwen vanwege zijn toenmalige geloofwaardigheid. Ik kan mij zo nog twee sleutelmomenten herinneren waarin het niet ingaan op zijn pogingen tot manipulatie bijdroeg tot mijn huidige afkeer.
Het eerste moment kan ik niet exact meer situeren. Vermoedelijk was dit gedurende de periode dat we nog niet alles wisten, dat mijn vader bleef liegen, dat hij haar bleef zien, dat hij tierde tegen mijn moeder en zichzelf in een slachtofferrol duwde. Ik kwam thuis. Vreemd genoeg stond de voordeur open, gapend in de schemering. Ik zag mijn moeder op de trap zitten in haar nachtkledij, radeloos. Nog nooit had ik zoveel angst in iemands ogen gezien als toen in de hare. Mijn hart brak, voor de zoveelste keer. Ze was magerder dan ooit, getergd door paranoia, ziekgepiekerd. Haar lichaam rilde terwijl ze me met wijdgesperde glazige ogen vertelde dat mijn vader spoorloos verdwenen was, diep in het nachtelijke duister. Ikzelf kon haar angst pas plaatsen toen ze van hem na lange tijd en vele contactpogingen een sms ontving met de boodschap dat hij het goed stelde en dat hij langs de waterkant zat.
Een perfect geënsceneerde zelfmoordpoging, daar leek het zeer sterk op voor we die sms ontvingen. We namen dit voorval serieus. Siegfried en Roy gingen hem midden in de nacht zoeken en vonden hem, starend op de dijken. De psychologische gevolgen voor ons gezin waren rampzalig. Mijn moeder werd mentaal onderuit gehaald. Al had hij misschien toen geenszins de intentie om zich het leven te ontnemen of om het ook maar te suggereren, in onze ogen was het een zeer denkbaar scenario. Hij had daarvoor namelijk al aangegeven dat hij depressief was en zelfs tegenover zijn kinderen had hij het woord ‘zelfmoord’ in de mond genomen. “Wat moet ik dan doen? Zelfmoord plegen?” Achteraf had hij de kans de ravage in te schatten, ik betwijfel echter of hij dit daadwerkelijk gedaan heeft.
Er volgde namelijk, niet lang na het eerste voorval, een gelijkaardige situatie. Wederom trof ik mijn moeder wanhopig aan, wederom was hij plots onvindbaar. Ditmaal had hij echter ook zijn gsm achtergelaten. Het medelijden dat ik aanvankelijk nog kon opbrengen voor de situatie van mijn vader sloeg om in woede. Toen besefte ik dat dit niets met zelfmoord te maken had, dit was gewoon een schreeuw om aandacht van een man die het ongeluk dat hij over zichzelf had uitgeroepen niet aankon. Het was een zieke poging tot manipulatie van hij die in zelfmedelijden verdronk, maar verder noch het lef, noch de intentie had zich daadwerkelijk van het leven te beroven. Hij zag er geen graten in te spelen met andermans gevoelens uit zelfzuchtigheid. Ik vond het schandalig dat hij zijn gezin deze emotionele hel liet doorstaan. Mijn moeder wou hem weer gaan zoeken, maar ik overtuigde haar dat niet te doen. Dat was namelijk al wat hij wou, ten koste van ons. Ik dwong mijn moeder te proberen de slaap te vatten. Om haar geruster te stellen sliep ik naast haar. De deur ging op slot uit angst voor een griezelig onvoorspelbare man die het noorden kwijt was. Die nacht brak mijn vader, omdat er niemand hem komen zoeken was. Zielig. Uiteraard wierp deze tweede keer een schaduw over de eerste. In mijn ogen ging het hier om manipulatie van de ergste graad, bewust of onbewust, dat laat ik in het midden.
Een tweede sleutelmoment situeert zich in de periode dat mijn vader en moeder al een tijdje niet meer samenwoonden. Ze waren nu buren geworden, elk in het bezit van een vleugel van de vier appartementen die op aandringen van mijn vader werden gebouwd. Ik ging enkel en alleen nog met mijn vader om uit medelijden en respect, ook al had hij alles aan zichzelf te danken. Het was zeer tegen mijn zin omdat ik totaal geen affiniteit meer had met de man. Ik deed het puur voor hem. Aangezien al wat ik hem subtiel duidelijk probeerde te maken ongehoord bleef bood ik zelf maar een luisterend oor. Uitwendig toonde ik begrip voor wat mij inwendig vaak deed koken. Telkens weer luisterde ik naar zijn meldingen over nieuwe aanwinsten en hun gebreken, telkens weer praatten we over zijn werk. Gelukkig was er iets om over te praten, want verder deelden we geen raakpunten meer. Hij had het gevoel dat ik hem begreep, terwijl ik mezelf zag als een zielige hypocriet die zijn mening niet durfde doordrukken.
Het verbaast me nu dat ik dat toen zelfs nog kon opbrengen. Aan die sporadische bezoeken kwam namelijk zeer plots en abrupt een einde. Op een dag verzocht mijn vader me voor een banaliteit naar hem te komen. Ik had al de hele dag een onbehaaglijk gevoel. Toen ik bij hem was flapte hij plots volgende zin uit zijn ondankbare mond:
“Ik heb er eens over nagedacht, en ik denk dat ik terug met An ga beginnen.”
Er ontplofte een bom in mij. Ik was razend, furieus. De hel in mij barstte los. Voor het eerst kwam het welpje openlijk in opstand tegen de leeuw. Woedend maar beheerst zei ik:
“Dat gaat consequenties hebben naar het contact met uw kinderen toe! Als ge dat doet, zet ik hier gene voet meer binnen!”
Mijn vader schrok. Hij koesterde daadwerkelijk de illusie dat ik begrip zou tonen voor het feit dat hij de relatie wou hervatten met de vrouw met wie hij mijn moeder, mezelf en al onze naasten negen jaar bedrogen had. Mijn hypocrisie keerde zich tegen mij. Hij had “meer begrip verwacht” van mij. Na zwaar gebekvecht begon mijn vader te huilen, een rariteit, ongezien. Zélfs toen had ik nog medelijden met hem, maar ik volhardde. Van zodra hij doorhad dat zijn tranen geen effect hadden, hielden ze op met rollen. Krokodillentranen, dat ontbrak er nog aan. “Smeerlap.” Dat was het laatste woord dat mijn hoofd doorkruiste toen ik zo hard als ik kon de deur achter me dichtsloeg, letterlijk en figuurlijk. Die dag besloot ik te breken met mijn vader, een beslissing gebaseerd op enkele jaren miserie. Enkele dagen na het voorval trok An bij hem in. U hoort het goed: enkele dagen. Hij kon zelfs geen week wachten. Dit was voor mij de absolute druppel. De minnares van mijn vader werd plots mijn buurvrouw, een grotere vernedering had ik mezelf niet kunnen wensen.
Voorgaande voorvallen vormen slechts een minuscule kleine greep uit alles wat er gebeurd is. Zelfs nu nog kan ik bijna wekelijks deze zwarte geschiedenis aanvullen, deze soap zonder einde. De laatste aflevering tot hiertoe was diegene waarin ik de deur voor hem gesloten hield. Ik wist echter dat dit nog een staartje zou krijgen.
Na wat een eeuwigheid leek, kwam mijn moeder thuis. Eindelijk, versterking. Tijdens haar reis had ik er niets over gezegd, omdat zij, meer dan wie ook, rust en genot verdiende. Toen ze thuiskwam zag ze alle albums, foto’s en andere spullen liggen die mijn vader had gedropt voor onze deur, omhuld met Volkswagen. Haar oog viel op de boodschap die hij op het papiertje had achtergelaten, het trof haar moederhart diep. Haar blik sprak boekdelen. “Dat zullen we nog wel eens zien.”
Oorspronkelijk was ze van plan een kwade telefoon te plegen of een e-mail naar hem te sturen. Uiteindelijk bleek dat echter niet nodig, want nog voor ze dit kon troffen ze elkaar toevallig. Ik zat in mijn kamer toen ik plots geroep hoorde dat zeer vertrouwd klonk. Getier dat mijn hart angstig sneller deed slaan. Het was de stem van mijn vader. Ik volgde verontrust het geluid en hield halt in de living. Het kwam van buiten. Toen pas zag ik mijn moeder op het terras staan. Mijn vader stond een verdieping lager. Ik nam binnen plaats bij het raam, buiten zijn gezichtsveld.
Mijn moeder boorde mijn vader de grond in. Er stond namelijk een vrouw boven hem, letterlijk, die alleen maar sterker uit heel de situatie gekomen was. Zijn tirade deed haar niets meer. Als een feniks, als een veel sterkere persoon, was zij uit de as der miserie herrezen. Ze antwoordde rustig, maar kordaat en krachtig. Alle verwijten die ik verwacht had werden door hem aangewend, en door haar ontkracht.
Hij verweet mij onder andere een gebrek aan respect omdat ik hem de rug had toegekeerd, letterlijk en figuurlijk. Laat respect nu net een kernbegrip van mijn bestaan zijn. Ik heb altijd respect gehad, voor alles en iedereen, binnen de mate van het mogelijke en het wenselijke. Vriend noch vijand zal dat ontkennen. Wat mijn respect als zoon betreft, als hij mij gedurende heel mijn leven twee berispingen heeft moeten geven zal het veel zijn. Ik was gehoorzaam, braaf en dankbaar. Nu echter toonde ik hem evenveel respect als hij mij de laatste maanden had getoond: geen. Waar haalde hij het lef met zijn minnares naast zijn kinderen te komen wonen? Mijn moeder dwong hem te erkennen dat zijn kinderen altijd voorbeeldig waren geweest, en hij kon niet anders dan dit beamen. Verwijten naar zijn kinderen toe waren niet gepast, er valt hen namelijk niets te verwijten. Hun gedrag was en is een reactie op maandenlange pijnlijke actie. Niet meer dan normaal lijkt mij. Men oogst wat men zaait.
Wat me opviel was dat hij haar nog steeds “schat” en “sus” noemde. Een siddering ontsproot aan mijn lichaam telkens die woorden vielen. Walgelijk. Het deed mij meer dan haar. Ook het gebruikelijke gefleem ontbrak niet:
“Moest ge u bedenken, ge moogt nog altijd terugkomen he.”
“Het is moeilijk om aan iemand anders te wennen als ge u gewoon zijt he.”
Uiteraard lachte mijn moeder die zielige uitingen weg. Uiterst beklagenswaardige woorden waren het, bovendien gedroeg hij zich weer enorm hypocriet. Ik ben benieuwd hoe zijn huidige wederhelft zou reageren moest ze weten wat hij allemaal achter haar rug gezegd heeft en zegt. Ook bij Siegfried was hij z’n beklag gaan doen. An was toch niet wat hij ervan verwacht had, maar het was de best mogelijke optie. Als u mij ooit over vrouwen hoort spreken in termen van opties, geef mij dan alsjeblieft een stevige klap in het gezicht zodat ik weer met beide voeten op de grond dender.
Zijn gesprek met mijn moeder eindigde met het advies dat hij het volledig verkeerd aanpakte. De kinderen bedreigen met het wegnemen van materieel bezit en het stopzetten van de alimentatie zou de kloof enkel groter maken. Ze raadde hem dan ook aan voorzichtig voor de dialoog te opteren. Verbazingwekkend genoeg luisterde hij naar haar woorden en zowel ik als mijn broer ontvingen een sms. In mijn geval:
“Sleutel hou je voorlopig maar bij proficiat voor je punten en nog goede moed voor de drie vakken groetjes papa”
Ik was aangenaam verrast dat hij mijn moeders raad ter harte nam, al impliceerde dat allerminst een verzoening mijnentwege. Tegendraads doen ligt niet in mijn natuur, dus ik stuurde terug. Ik wou hem echter wel duidelijk maken hoe de zaken stonden:
“Bedankt. Ik zal de sleutel bewaren. Ik zal hem wel pas gebruiken als het spook achter de deur verdreven is.”
Ik weet het, “spook” is niet vriendelijk. U moet echter weten dat dat het eerste negatieve woord is dat ik openlijk gebruik over die vrouw in een dialoog met hem. In die wetenschap en wetende wat er gebeurd is vind ik het bewuste woord niet misplaatst, integendeel.
“Sorry Illiveris maar halloween kan misschien toch ook zijn charmes hebben tijd zal raad brengen”
Een schaterlach drong zich op toen ik deze sms las. Erkende hij hier nu werkelijk dat ze een spook is? Ondanks mijn lachbui was het een trieste sms. Die vrouw was de enige steun en toeverlaat die hem nog restte, alle anderen hadden hem terecht de rug toegekeerd. Uitgerekend die vrouw gaat hij dan beledigen.
“Zolang het daar Halloween is kan ik u niet het respect geven dat ge vraagt. Ook niet vergeten dat de tijd vliegt.”
“Wel voor ons beiden”, antwoordde hij.
“Ik heb mezelf bij het verstrijken van de tijd niets te verwijten zolang die vernedering naast mij huist. De pionnen zijn opgesteld en er is maar één iemand aan zet…”
Na deze laatste sms van me vernam ik niets meer van hem. De tijd verstreek. Toen ik onlangs uit het raam tuurde zag ik dat An in haar bikini onkruid aan het uitdoen was bij haar onderburen. Het was alsof het universum mij wou kwellen door me het blote vlees voor te schotelen dat mijn gezin kapotgemaakt had. Nooit eerder had ik zoveel zin om van de parasol op ons terras een speer te maken. Ze mag de evolutie dankbaar zijn dat andere mensen in de loop der tijden wél morele waarden en ethiek ontwikkeld hebben, anders had ik haar hoofd al lang gespietst. Normaal word ik nooit kwaad, maar haar aanblik roept bij mij zoveel boosheid op dat ik begin te rillen en te proesten, wit van woede.
Tot overmaat van ramp stonden zowel zij als mijn vader buiten toen ik de voordeur even later achter me sloot. Ze praatten over hun voortuin. Buitenkomen was sinds kort geen probleem meer voor mij. Ik had mezelf niets te verwijten en voelde me gesterkt door deze gedachte. Met opgeheven hoofd zette ik mijn koers verder. Hij zag me, gaf geen kick, en zette zijn gesprek verder. Toen zij me zag leek het alsof ze plezier in de situatie schepte. Ze begon nog harder te praten.
In plaats van waardig en sereen mijn lelijke buurvrouw te worden, schepte zij er enig sadistisch genoegen in dat feit te benadrukken door als nieuwe vrouw des huizes zoveel mogelijk streken te verkopen. Dit deed en doet ze wel enkel als hij erbij is. Als ze alleen is schuwt ze het daglicht. Het is overduidelijk dat ze ons vreest. Wacht maar. Nooit eerder heb ik haar mijn gedacht gezegd over haar en over dat wat er gebeurd is. Wacht maar tot de dag dat ik haar alleen tref. De dag dat ik verbaal haar Achillespees weet te vinden. Mijn vader kende namelijk geen grenzen toen hij tegen wie dan ook over zijn miserie vertelde. Bedgeheimen werden bedverhalen. Haar innigste geheim is bijgevolg nu ook dat van ons. Ik hoef maar één vraag te stellen om haar vervolgens smalend de rug toe te keren:
“Seg [scheldwoord naar keuze], heel Lier vraagt zich af of ge nu eigenlijk al kunt klaarkomen?!”