Dag Dromelingen (deel 2)
Om deze post te kunnen volgen verwijs ik u eerst vriendelijk naar hier.
Terwijl ik naar boven vloog, de ziel uit mijn lijf krijsend als een klein meisje, zag ik enkel sneeuw. Zelfs de betonnen klinkers van het plein, die ik dadelijk van wel heel dichtbij zou waarnemen en voelen, waren aan mijn oog ontstolen. De zwaartekracht begon aan mij te trekken. Wat initieel een opwaartse beweging was, bleef dat niet. Net voor ik aan een helse duikvlucht begon, en tevens aan de omzetting van mijn doodsangsten in decibels, hoorde ik zeer luid gehinnik en geproest. Een zwarte gevleugelde gedaante scheerde door het sneeuwgordijn en ving me op. Ik klampte mij stevig vast aan wat de rug van een hengst bleek te zijn, een prachtig ros.
Met enkele gracieuze vleugelslagen zette hij standvastig koers in de witte oneindigheid. Zijn vastberadenheid temperde mijn eigen angst. Het klinkt misschien bizar, maar dankzij hem vond ik rust in die storm, in die mate zelfs dat ik geleidelijk indommelde, stilletjes verlangend dat het moment zou blijven duren. Mijn oogleden hadden nog geen seconde rust genoten toen het paard zich liet vallen, zijn vleugels beschermend boven mij gericht. Ik was zodanig geschrokken dat mijn hart het tikken niet meer kon bijhouden. Al wat ik waarnam in de gevederde cocon was het suizen van de wind, vergezeld van hevige donderslagen.
Toen het paard zijn veren weer spreidde en zich liet meevoeren door een luchtstroom was er geen sneeuw meer te bekennen. Sterker nog, ik zag al wat de horizon te bieden had. Met open mond aanschouwde ik oceaan, zo ver het oog reikte. Slechts één obstakel doorpriemde het woeste water, één gigantische berg tartte de oceaan met een kruin die zelfs de wolken achter zich liet. Nooit eerder zag ik zo’n donkere dramatische hemel. Ik was getuige van een machtig fenomeen. De wolken maanden de wind, donderend met hun bliksemse zwepen, aan de golven zulke grootte en vaart te geven dat ze met alle geweld tegen de berg zouden slaan. En de golven gehoorzaamden, als rollende reuzen ramden ze zijn rotsenvoet. Mijlenver waren de klappen te horen.
Met stijgende omwentelingen beklommen we de berg. Dat ik het niet zo zag zitten om de grijze wolken die hem kroonden te verkennen leek mijn metgezel niet te deren. Wederom werd mijn zicht ontnomen. Blind tussen al dat wolkengruis kreeg ik de illusie dat ik instrumenten hoorde. Strijkers, blazers, percussie, noem maar op. Hoe hoger, hoe luider. De muziek gaf de situatie perfect weer: dramatisch, zwaar, dolend in oneindigheid… Net daarom klasseerde ik dit gegeven weer als een product van mijn eigen krankzinnigheid. Dat de muziek adequaat was nam ik angstvallig als bewijs dat ik toch niet volledig gek geworden was. Toch niet volledig.
Wordt vervolgd…




De Dialoog