Get Adobe Flash player

water

Wie zijn gat verbrandt, wordt nat…

Ze wisten het, en toch, toch ramden ze mijn deurbel bijna aan flarden in een roes van leedvermaak. Ik had het hen al vaak gezegd: De volgende die met mijn bel speelt, krijgt een emmer water over zijn hoofd. En ik ben een man van mijn woord ziet u. Ik zal mezelf even verduidelijken.  Ik zit op kot. Ik huur één zesde van de gezellige tweede verdieping. Midden in de studentenbuurt verblijf ik, en dat heeft zo zijn consequenties. Sporadisch verschijnt er altijd wel een of andere, al dan niet dronken, leukerd die in het holst van de nacht even alle deurbellen die ons gebouw (met 18 koten) rijk is platbelt. Het gebeurt natuurlijk ook wel eens dat iemand gewoon zijn sleutel vergeet, en dan ook maar besluit overal aan te bellen tot iemand opendoet. Snel raak ik niet geïrriteerd, dat weet ik zeker, maar een aanhoudend deurbellenconcert heeft wel eens de potentie om mijn geduld op de proef te stellen.

Gisteren gingen mijn kotgenotes, Sirene en Blancefloer, hun vuilnis buitenzetten. Nu is het zo dat het slot van de hoofddeur beneden recent vervangen werd. Sindsdien is het niet meer mogelijk om vanuit de koten zelf de deur beneden te openen. Ze wisten dit. Ze hadden mij ook gezegd dat ze het vuilnis gingen buitenzetten. Bijgevolg wist ik dus dat zij het waren die buiten stonden. Bovendien was ik op de hoogte van het feit dat ze een sleutel bij zich hadden, en toch. Toch hadden zij het lef aan te bellen. En nog eens. En nog eens. En nog eens. Soms met lange halen, soms gewoon een korte druk op de knop. Soms melodisch, soms kakofonisch. Het sadistisch genoegen dat met het gebeuren gepaard ging was echter constant, denk ik. Mijn irritatie werd snel verbannen door de gedachte dat ik een man van mijn woord ben.

Een emmer had ik niet, maar er stond wel een bloempot binnen handbereik te pronken. Deze greep ik dan ook gretig, en ik vulde hem. Terwijl ik stilletjes mijn raam opende waren ze zichzelf nog steeds aan het vermaken met mijn bel. Hoewel ik enkel mijn arm naar buiten bracht, wist ik perfect in welke richting ik mijn stortvloed moest slingeren. De tijd vertraagde. Met veel kracht lanceerde ik een kolkende massa water de diepte in. Ik zag hoe de vloeistof zich in de lucht verspreidde als een natte poema die zijn prooi bespringt. Vervolgens hoorde ik luid gegil.

Ik sloot mijn raam. Net toen ik mijn deur wou barricaderen kwam mijn buurman binnen om te vragen wat er met mijn bel aan de hand was. Hij trof een vreemde jongeman aan, schatterlachend, met een natte bloempot in zijn hand. Pienter als hij is had hij niet veel tijd nodig om de situatie te doorzien. “Neeee, dat hebt ge ni gedaan?!” Het duurde niet lang voor ook hij een vreemde jongen werd, zonder bloempot. Van vreemd gesproken.

Na het bezoek van mijn buurman versperde ik mijn deur. Vreemd genoeg was dat eigenlijk niet nodig. Mijn deur bleef een hele tijd onaangetast. Meer zelfs, de slachtoffers kwamen niet meteen naar boven. Later die avond vernam ik echter wat er gebeurd was.

Sirene was leuk met de bel aan het spelen toen ze met haar sleutel de deur rustig opende. Plots zag ze in de hoogte letterlijk een ‘waterval’. Ze krijste de ziel uit haar lijf. Blancefloer nam deel aan de massahysterie en beiden doken ze tegelijk reflexmatig naar binnen à la Indiana Jones. Daar lagen ze dan, in het midden van het gangpad, op de grond. Hun lijf deed pijn van het lachen. Ze waren zelfs niet bij machte om op te staan. Als zatte dozen probeerden zij terug boven te raken, zich vastklampend aan alles wat hun schaterende lichamen steun kon bieden.

Het was mis, maar ik heb mijn woord gehouden.

De Dialoog