Get Adobe Flash player

wet

De Geslotenheid der Deuren

Ik was volledig alleen thuis toen er werd aangebeld. Hij was het. Ik voelde het. Paniek in het hoofd, angst in het hart. Ik zat namelijk in de vuurlinie van mijn belager. Hij kon mij zo doodbliksemen met zijn ogen als hij me in mijn kamer op de eerste verdieping voor de pc zou zien zitten. Ik dook op de grond. Als een volwaardig lid van een speciale militaire eenheid kroop ik door de gang naar de woonkamer. Alle ramen stonden wagenwijd open vanwege de hitte, hij wist dus dat ik aanwezig was. Ik smeekte dat hij mijn reflectie niet zou zien in het glas terwijl ik als een pasgeboren slang over de tegels kronkelde. Er werd nogmaals aangebeld toen ik het hart van het huis sluipend bereikt had. Hoe prangend de situatie ook was, ik had vertrouwen in mijn burcht. Een kleine beek diende als slotgracht, het brugje erover werd door een stevige houten poort verdedigd. Bovendien was het huis tot de tanden toe gewapend met domotica. Met enkele vingervlugheden sloot ik alle gordijnen in de woonkamer zodat de achterkant van het huis een veilige haven werd en activeerde ik de camera die de poort in de gaten hield. Er werd nogmaals aangebeld. Dankzij mijn nieuw stel ogen kreeg ik bevestiging. Hij was het, belager der belagers.

Er werd nogmaals gebeld, en nogmaals, en nogmaals. Ik hoopte zo dat hij weg zou gaan. Echter, telkens wanneer hij mijn hoop ruikt doet hij net het tegenovergestelde van wat ik wens, de sluwe vos, en dat was nu niet anders. Hij ging niet weg, integendeel. Bovendien had hij het perfecte moment uitgekozen: mijn broer was op reis, mijn moeder was op reis. Ik was zielsalleen. Plots hoorde ik een geluid dat mijn oren pijnigde. De cijfercombinatie om de poort te openen werd ingetoetst. Plotsklaps waren de sloot en de poort overwonnen. Mijn hartritme draaide dopinguren. Het is overigens niet verwonderlijk dat hij dit kon, bouwer zijnde van dit huis, van de poort, het was echter verontrustend dat hij het daadwerkelijk deed. Vooral omdat deze zijde van de appartementsconstructie hem niet meer toebehoorde. “Memo voor mezelf: vraag moeder de poortcombinaties te wijzigen, en eventueel elektrocutie via vingerafdrukherkenning in te bouwen.”

Al gauw werd de reden van zijn bezoek duidelijk. Ik hoorde namelijk de motor van mijn nobele ros, een Volkswagen cabrio, hinniken en proesten. Ik vermoedde dat zijn eigen zwarte hengst, een Renault Espace, onbeschikbaar was. Wat wil je met zo’n ruiter als baasje. Mijn blauwe trouwe vervoer werd ontvoerd, en de poort werd opnieuw gesloten. Het is overigens niet verwonderlijk dat hij dit kon, hij had namelijk de reservesleutel. De sleutel van de auto waar meer dan vijftien jaar enkel mijn moeder mee had gereden. De auto die meer dan vijftien jaar op mijn moeders naam had gestaan en waar ik nu dankbaar mee reed. Echter, in een recent verleden had mijn vader de wagen op zijn naam laten overdragen omdat dit gunstiger uitkwam voor de verzekering, aangezien de kinderen er nu ook mee reden. En van die kleine naamsverandering op de eigendomspapieren maakte hij, die deze wagen in het verleden amper aangeraakt had, nu dankbaar gebruik. Hij kwam even claimen wat volgens hem en volgens de papieren zijn eigendom was. Dat hij daarvoor ongevraagd andermans eigendom infiltreerde, was natuurlijk bijzaak. Het doel heiligt de middelen.

Allemaal goed en wel, ik hoopte vooral dat hij hem slechts kwam lenen uit noodzaak om hem daarna terug te brengen. Gelukkig bleek dat ook het geval te zijn. Na deze brute overval had ik alle ramen gesloten, evenals de bijhorende gordijnen. Deze stille oorlog was er één van gordijnen, geruisloosheid en onzichtbaarheid.  Ik was schaduw, ik was schuw, ik was schim. Als een stille avondwind doolde ik door het huiselijke landschap. Het moment, dat ik evenveel gewenst als gevreesd had, brak aan. Er werd aangebeld, inmiddels ettelijke uren later. Ik verschanste me in mijn geblindeerde kamer. Er werd nogmaals aangebeld, en nogmaals, en nogmaals. Ik gaf geen kick. Ik wou die man niet zien, niet meer, niet meer na al wat er gebeurd en gezegd was. Zijn aanwezigheid bracht telkens pijn, traan en trauma. Mijn deuren waren gesloten voor hem nu, letterlijk en figuurlijk.

Gebeten door nieuwsgierigheid bespiedde ik de belager toch heimelijk dankzij een geniepige gordijnspelonk. Ik kon het niet laten, ik wou mijn blauw ros terugzien. De poort ging wederom open. De wagen reed naar binnen. De bestuurder keek exact naar de plek waar ik stond, namelijk mijn kamer, toen hij de auto tot stilstand bracht. Het was alsof hij mijn aanwezigheid voelde. De poort ging terug dicht. Het houten gevaarte had zijn mond nog niet weder gesloten of ik was al aan het peinzen over de consequenties die mijn actie, of eerder mijn lak eraan, teweeg zou brengen.

Wat ik echter niet wist was dat die consequenties zich toen reeds in de buik van ‘mijn’ wagentje bevonden. Ik had op dat moment eerder oog voor de aftocht van de vijand, deze spoedde zich namelijk niet naar zijn huis maar naar enkele overburen. Ik wist direct wie er daar aan de overkant van de straat zou heulen met deze vijand, deze laatste ging namelijk vaak uitvoerig zijn verslag doen bij Hubert in zulke situaties. Deze oude vrek was wel meermaals, uitgerust met marcelleke, korte broek en witte sokken voor zijn gevel te vinden. Hij, toonbeeld der kleingeestige Belgische frustratie, rookt als een Turk en het begrip emancipatie is hem nog steeds vreemd. Ik zag duidelijk hoe mijn belager wederom zijn beklag deed. Aan de intensiteit van zijn armgestes was zijn ergernis af te meten. Alarmfase oranje.

Pas toen de kust veilig was viel mijn oog op de passagierszetel van de Volkswagen, deze herbergde namelijk een mysterieuze plastic zak. Het duurde tot de avondval vooraleer mijn nieuwsgierigheid mijn omzichtigheid verdrong en mijn voeten naar buiten voerde. Inmiddels had mijn bevallige liefje, prinses der burcht, mijn alleen-zijn verdrongen met ons samenzijn. Angstvallig opende ik het portier. De buik van de wagen bleek niet één, maar twee mysterieuze zakken te bevatten. Daarna viel mijn oog op een grote gele vlek in het duister van de wagen. Het was een tennisbal, een reusachtige tennisbal. Ik herkende dit voormalige cadeau meteen, evenals de woorden die ik er destijds in grote letters met een zwarte alcoholstift op had aangebracht.

It doesn’t matter if you lose, you’ll always be a winner for us.” (Mijn huidige grammaticale kennis eist dat ik hier vermeld dat ‘to’ in deze zin beter ‘for’ zou vervangen. Aldaar de muggenzifterij.)

Deze boodschap was oprecht, destijds. Met liefde gegeven ter aanmoediging van hij die zo graag tenniste, al bleek hij achteraf vaak een scheve bal geslagen te hebben. In de huidige context loog die bal, zijn bestaan was een schandelijke leugen. Ik vond het dan ook terecht dat deze bal teruggekaatst werd. Van zodra hij in mijn bezit was heb ik zijn betekenis denkbeeldig ontmanteld en gecorrigeerd.

It doesn’t matter if you win, you’ll always be a loser to us.” Zware woorden voor zware daden.

De zakken bleken albums te bevatten, en een externe harde schijf. Mijn moeder had reeds lang met aandrang gevraagd de albums en negatieven die hij nog in zijn bezit had te kopiëren. Bij deze was dat gebeurd: gedupliceerd, gedigitaliseerd en formeel overhandigd. Albums met beelden die op het eerste gezicht een vlekkeloos verleden leken te bevatten, maar in een recent heden voor eeuwig werden besmeurd.

De albums en de bal vergezelden volgende handgeschreven boodschap op een pietluttig papiertje:

Aangezien ge het vertikt om open te doen, steek mijn sleutel maar in mijn brievenbus, want die heb je blijkbaar niet meer nodig. Ik verwacht op zijn minst uw uitslag, zoniet stopt de sponsoring. Je papa

Wat bovenstaande sleutel betreft, dat is zijn huissleutel, nog steeds in mijn bezit, ongebruikt. De uitslag die hij vermeldt doelt vermoedelijk op mijn recentelijk behaalde studieresultaten. Hoewel ik niet meteen begreep waar die tweede contextloze zin plots vandaan kwam en waarom hij hier werd aangewend miste hij zijn effect niet: agitatie. De tennisbal had hij overduidelijk gebruikt in een poging om in te spelen op mijn gemoed, tevergeefs. Met dit briefje sloeg hij de bal echter raak. Wat was het nut van de studie-uitslag van een zoon die hij niet te zien kreeg, die standvastig zijn contactbreuk volhield en de voordeur weigerde te openen? Was het om na te gaan of hij de juiste investering sponsorde, een investering die voor hem nooit meer zou renderen? Was het een angstvallig vertoon van de tanende macht over zijn kinderen via een materieel dreigement versluierd in emotionele chantage? Ik wist het niet. Wat ik wel wist, is dat ik een oude woede voelde opborrelen, dat ik rotte rancune rook. Het antwoord op mijn vragen zou me spoedig geboden worden vanuit een onverwachte hoek, een eerder op de klippen gelopen investering van hem.

Geagiteerd en peinzend over de vreemde woorden werd ik getroost door mijn immerlieve vriendinnetje. Ik wou de albums aanvankelijk niet bekijken toen ze dit voorstelde. Er raasden vele scenario’s door mijn hoofd die avond, van het doorprikken van de tennisbal met een mes waaraan mijn uitslag was bevestigd tot het kopiëren van relevante artikels uit het Burgerlijk Wetboek betreffende het onderhoudsrecht om deze vervolgens netjes in zijn brievenbus te stoppen en hem zo op zijn plichten te wijzen. Het leuke aan het beschikken over een rijke fantasie is dat elk scenario levensecht werd uitgevoerd in mijn hoofd, vergezeld van een smerige glimlach. Bijgevolg, aangezien ik mijn plannen levensecht had zien uitvoeren, bedaarde ik. Ik besloot niet toe te geven aan de emoties van het eerste uur en advies in te winnen bij mijn wijze getrouwen. Dat laatste gegeven is overigens een groot contrastpunt met de vijand. Hij laat zich namelijk enkel en alleen omringen door mensen die hem naar de mond praten. Ik niet, voor mij is tegenspraak verrijking, voor hem collaboratie.

In zulke gevallen ga ik meestal te rade bij mijn moeder. Zij was echter op reis, en ik vertikte het om haar hoofd vol te pompen met zorgen. Ik nam me voor haar er niet lastig mee te vallen tot ze voldaan teruggekeerd was. Jammer genoeg was het ook al te laat die avond om mijn nonkel of tante te bellen. Daarom liet ik de boodschap bezinken, hopend dat de tijd raad zou brengen en de nacht rust. Piekerend en peinzend verwelkomde ik de donkerste uren van de dag. Ik dacht na over de recente gebeurtenissen waarbij mijn broer emotioneel ingestort was na de onverwachte aanwezigheid van onze gemeenschappelijke belager op zijn proclamatie. Mijn broer werd gedwongen een trauma bloot te geven. Iedereen had de impact van het verleden op hem onderschat. Ik weet nog dat ik toen dacht dat het bij mij allemaal zo erg niet was, dat ik in mindere mate getroffen was. Deze redenering rakelde ik nu opnieuw op, midden in de nacht, en ik heranalyseerde de recente gebeurtenissen.

Is het normaal dat een eenentwintigjarige potente jongeman bij het aanbellen van een welbepaalde man, die hem overigens geen enkel verwijt kan maken, op de grond springt en naar de woonkamer kruipt? Nee, dat is het zeker niet. Uit de context gerukt is deze situatie zelfs ronduit belachelijk. U hoeft mij dat niet te vertellen, ik besef het maar al te goed. Is het normaal dat, wanneer familie en onderburen op reis zijn en je belast bent met het wateren van de bloemen en het verzamelen van de post, je dit extreem vroeg of extreem laat op de dag met de allures van een getrainde ninja of een eersteklas guerrillero verwezenlijkt om de man toch maar niet tegen te komen? Nee, daar verlaten we eveneens grondig de normaliteit. Het weekend was trouwens een hel, dan moest hij namelijk niet werken en kon hij me dus elk moment bespringen als ik me naar buiten begaf. Bovendien moest het karton en het vuilnis, inclusief PMD, buiten gezet worden. Een grootschalige operatie vol voorbereiding drong zich op.

Die nacht kwam ik tot de conclusie dat de oorzaak van dit alles weldegelijk angst was, irrationele angst. Ik gaf het nu koppig toe waar ik het eerst weigerde te geloven. De gevoelens die ik koesterde stemden exact overeen met die van mijn broer. Om toch enige trots te behouden herduidde ik de angst. Het ging niet om angst voor de man zelf, maar om angst voor confrontatie. Ik had al eerder gemerkt dat ik het niet meer aankon, confrontatie tussen mensen. Als ik nog maar een vleugje ruzie ruik weigert mijn hart normaal te functioneren, met hartkloppingen en wijde puppillen als stille getuigen. Als ook maar iets mij herinnert aan zijn geroep van weleer tegen mijn moeder krijg ik het benauwd. Angst voor confrontatie. Ik ben benieuwd hoe lang ik deze conclusie volhoud.

Een andere nachtelijke vraag die me bezighield was of ik de deur had moeten openen voor de belager of niet. De laatste keer dat ik hem zag raakten we beiden verwikkeld in een uiterst negatieve confrontatie waarbij hij onbeschaamd zijn kinderen verwijten begon te maken en zich zoals gewoonlijk in de slachtofferrol duwde. De negen jaar dat hij mijn moeder had bedrogen en het feit dat hij het lef had met zijn minnares naast zijn kinderen te komen wonen werden wederom collectief vergeten door zijn neuronen. Sindsdien had ik hem niet meer gehoord. Wat verwachtte hij? Dat ik nu doodleuk de deur zou openen om de autosleutel te overhandigen en te doen alsof er niets gebeurd was? Over mijn lijk. De gesloten deur was de juiste keuze, het duidelijkste signaal voor ongenodigden.

De ochtend bracht mij een vers gemoed. Ik contacteerde mijn nonkel en tante en lichtte hen in over de situatie. Ik vroeg hen wat ik met zijn eis moest doen, en met de sleutel. Ik deelde ook mijn verontwaardiging mee. Wederom werd er van zijn kant geen enkele poging gedaan om dichter bij zijn kinderen te komen, wederom was er geen enkel vertoon van nederigheid te bespeuren, integendeel, zoals gewoonlijk slingerde hij met materiële dreigementen. Niet dat het verwonderlijk was dat hij dat deed aangezien dit altijd al de gewoonte was geweest in zijn vleugel van de familie. De enige binding die vader en zonen nog restte was de enige die hij ooit echt gekend had, de enige die hij ooit echt van thuis uit meegekregen had: een materiële. Zijn taal was en is nog steeds geld, zijn kant van de familie spreekt in euro’s. Jammer genoeg voor hem is liefde onbetaalbaar. Gelukkig voor ons beseften mijn moeder en grootmoeder dit.

Ik vertelde mijn nonkel en tante ook dat hij er niet voor zou terugdeinzen om op een dag de Volkswagen werkelijk voorgoed te claimen, aangezien hij volgens mij geen emoties ter beschikking had en er meer geld en eigendom dan bloed door zijn aderen stroomde. Al wat voor hem gold was datgene wat op papier stond, zwart-wit, wet, verbintenis. Mijn woorden waren nog niet koud of ze bleken profetiewaardig.

Wie geluk wil oogsten, moet humor zaaien. Op een sappige ludieke manier maakte ik de twee dierbare mensen aan de andere kant van de telefoonlijn duidelijk hoe ik mij elke dag als een hinde door de gevaarlijke open savanne begaf op zoek naar water en… post, tot groot vermaak van mijn tante. Schaterend werd de hoorn ingelegd met het advies geen al te drastische maatregelen te nemen vóór de thuiskomst van mijn moeder.

Dat was ook mijn intentie. Ik besloot even te berusten en te bezinnen. Bezinnen deed ik door even op te zoeken wat mijn rechten en plichten waren in een handboek familierecht in kort bestek, stammend uit mijn rechtenperiode. Nooit was recht zo boeiend als toen.

Hoofdstuk VII. Onderhoudsrecht: Onwaardigheid versus onvrijwilligheid. De eerste passage in dit onderdeel van het hoofdstuk bevestigde mijn algemene kennis over het onderhoudsrecht. Toen ik echter de tweede passage las schrok ik ontdaan en rilde heel mijn lichaam van verontwaardiging. Ik citeer bij deze de bewuste passages uit ‘Familierecht in kort bestek’ van Frederik Swennen:

338. In het onderhoudsrecht bestaan als regel geen gronden van onwaardigheid, waardoor het recht op levensonderhoud zou vervallen. Het onrecht dat een onderhoudsgerechtigde een onderhoudsplichtige zou hebben aangedaan ontzegt hem zijn onderhoudsaanspraak niet.

339. De uitzonderingen bevestigen de regel. Zo wordt uit de plicht tot wederzijds respect tussen ouders en kinderen (art. 371) afgeleid dat een, zelfs minderjarig, kind zijn bijzondere (art. 203) of algemene (art. 205 jo. art. 207) onderhoudsaanspraak kan verliezen als hij onvoldoende respect toont. Dat is bv. zo als hij zijn ouders niet op de hoogte houdt van het studieverloop of plotseling verhuist.

De smeerlap. Dat waren de twee woorden die het eerst mijn hoofd doorkruisten: De smeerlap. Het gaat hier namelijk om gespecialiseerde kennis die enkel verkregen kan worden als men een gespecialiseerde bron raadpleegt zoals een advocaat of het Belgisch Staatsblad, of indien dit in de verbintenis staat die mijn ouders sloten bij de bepaling van het onderhoudsgeld. Waar ik aanvankelijk dacht dat dit een loos argument was, bleek het nu een doordacht en doortrapt juridisch argument te zijn. Waarom? Waarom werd dit aangewend? Waarom was dit nodig? Was dat zijn manier om de slechte band met zijn kinderen te verbeteren? De intentie om de emotionele band te verbeteren kon ik er in ieder geval niet in terugvinden. Tot de dag van vandaag snap ik nog steeds de logica erachter niet. Wat ik wel zeker weet is dat de intentie erachter niets constructiefs in zich draagt. Ik zou zelfs durven zeggen dat dit een buitensporige daad was om mij een hak te zetten vanwege de gesloten deur. Het leek een beetje op het vermoorden van een mug die je gestoken heeft met een bazooka. Waarom dreigen? Waarom wederom dat onzinnige machtsvertoon?

Ik was hoe dan ook voor de zoveelste keer wakker geschud. Ik belde mijn nonkel en tante en bracht hen op de hoogte van mijn ontdekking. Na een kort beraad leek het ons meest aangewezen om hem zo snel mogelijk de resultaten toe te stoppen. Aangezien hij het spel zo strikt en volgens de letter van de wet wou spelen zou ik de sleutel pas in zijn brievenbus gooien bij aanwezigheid van een getuige, bij voorkeur mijn moeder.

Ik kopieerde mijn schoolresultaten en schreef er volgende boodschap op: “Sleutel volgt spoedig.” Bij wijze van formele sneer en om afstand te scheppen plaatste ik mijn handtekening onderaan, zomaar. Ik bond het papier rond zijn externe harde schijf en stak het pakketje in een zakje. Wat volgde was een kleine heimelijke sprint naar de buren en hun brievenbus.

Enige tijd later, na het verrichten der noodzakelijkheden, kregen mijn nonkel en tante volgend sms’je van mij toegestuurd:

Zondag 4 juli. 17:35 Operatie Savannehinde volbracht. De keutel is gedropt. Ik herhaal, de keutel is gedropt. Het hoofdkwartier werd succesvol terug bemand. Over.

Spoedig volgde hun repliek:

Headquarters has received your message! Well done!

We moeten blijven lachen. “De humor is een betrouwbare graadmeter van het echte leven. Waar niet gelachen wordt, wordt niet meer echt geleefd.” – H. Hoving

Ik was ontdaan, werkelijk ontdaan, door het verloop der omstandigheden. Hoe kon het dat ik genen deelde met deze man? Hoe dan ook, als hij van plan was te schermen met wet en recht, zou ik mezelf voorbereiden om terug te schermen. Het is niet zonder risico om op zo’n manier te dreigen tegen een ex-jurist, zelfs als deze zijn opleiding niet afgemaakt heeft. Wat ik aan de rechten heb overgehouden is een zekere basiskennis en connecties.

Wat mij vooral zorgen baarde was de even korte als krachtige inhoud van artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek: “Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.” Respect is een breed begrip. Recht weerspiegelt de samenleving. Wat verstaat men in de huidige samenleving onder respect? Dat was voor mij de hamvraag. Na enig opzoekwerk bleek een gebrek aan respect vooral te schuilen in het beledigen van de bewuste ouder, het plots verhuizen van het kind, het weigeren de studieresultaten mee te delen, het weigeren van contact na verscheidene pogingen van de ouder, enz. Vooral dit laatste baarde mij zorgen. Ging het huidige recht mij verplichten contact te onderhouden met de man die ik niet meer wou zien, de man die ik tevergeefs talloze kansen had geboden? Zo leek het althans aanvankelijk. Ik besloot één van mijn beste vrienden te raadplegen, bijna Master in de Rechten.

In mijn mailbox kreeg ik van hem de meest relevante rechtspraak omtrent artikel 371: ‘Gent 5 april 2007’ en ‘Antwerpen 18 januari 2008’. Ik citeer hierbij het relevante:

  • Zo mag van meerderjarige studerende kinderen verwacht worden dat zij een zekere volwassenheid en relativerend vermogen in zich hebben om in te zien dat wanneer men aanspraak maakt op een onderhoudsgeld, er ook spontaan moet geïnformeerd worden over de studieaangelegenheden.
  • Enkel in het geval dat de onderhoudsgerechtigde weigert contact te onderhouden met de onderhoudsplichtige en weigert deze op de hoogte te stellen over zijn of haar studieaangelegenheden ondanks herhaaldelijk aandringen van de onderhoudsplichtige, wordt er een schending van artikel 371 B.W. aanvaard.
  • De evolutie om uitzonderingen toe te laten op de onderhoudsplicht is een goede zaak, doch moeten deze strikt worden geïnterpreteerd. In die zin heeft het hof in het besproken arrest terecht enige voorzichtigheid aan de dag gelegd. Men moet immers niet alleen rekening houden met de houding van de onderhoudsgerechtigde ten aanzien van de onderhoudsplichtige. Als er sprake is van een slechte relatie tussen deze twee is het ook van belang om te bekijken wat het aandeel is van de onderhoudsplichtige in deze verziekte relatie. Pas als de onderhoudsplichtige voldoende initiatief neemt naar de onderhoudsgerechtigde toe en elke reactie van de onderhoudsgerechtigde uitblijft, zal deze laatste zijn recht op een onderhoudsbijdrage verbeuren.
  • Dat zij echter sedert het begin van hun hogere studies meerderjarig zijn en zelf kunnen beslissen of zij hun moeder al dan niet nog wensen te zien;

Bovendien moet het gaan om “een flagrante schending” van artikel 371, en daar zijn we, lijkt mij, na mijn weigeren om de deur te openen, nog lang niet.

Voor mij is het ongelooflijk dat hij zo reageerde. Ik ben nooit weigerachtig geweest om mijn studieresultaten mee te delen, laat staan dat ik ooit lak aan respect heb gehad. Ik betwijfel trouwens ten zeerste of hij werkelijk geïnteresseerd was in mijn resultaten, volgens mij kwam hij gewoon de auto claimen. Ik kan mij natuurlijk vergissen maar “Ik verwacht op zijn minst uw uitslag,” tout court, zonder “zoniet stopt de sponsoring.” erachter had een heel ander beeld van zijn intenties weerspiegeld. Het heeft niet mogen zijn, wederom moest hij in een angstvallige poging zijn tanende macht laten gelden via een materieel dreigement. Als hij in plaats van vergelding voor die gesloten deur nu eens oorzaken zou zoeken zou hij zien dat al wat zijn kinderen vragen een beetje nederigheid is, excuses, geduld, en begrip. Als hij de situatie nu eens redelijk overschat zou hebben, zijn fouten zou hebben ingezien, niet het slachtoffer zou hebben uitgehangen, het gedrag van zijn kinderen bestudeerd zou hebben en daaruit redelijke conclusies zou hebben getrokken, dan had die deur misschien, heel misschien, nu op een kier gestaan. Helaas.